Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.016,00
Rechtbank Amsterdam
Eiser was eigenaar van een zeiljacht in Spanje waarop gedaagde vanaf 2016 werkzaamheden verrichtte op basis van een overeenkomst van opdracht. Gedaagde vorderde betaling van ruim €116.000 voor verrichte werkzaamheden en voorgeschoten kosten, wat eiser betwistte en in reconventie ontbinding en schadevergoeding eiste.
Gedaagde legde conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van eiser bij de Rabobank. Eiser vorderde opheffing van het beslag met het argument dat de vordering ondeugdelijk is en het beslag onnodig. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen formele gebreken zijn en dat gedaagde zijn vordering voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd met stukken, foto’s en een deskundigenrapport.
De exacte vergoeding voor de werkzaamheden is onduidelijk en vereist nader onderzoek, maar dit leidt niet tot ondeugdelijkheid van de vordering. Diverse door eiser aangevoerde tegenargumenten werden door gedaagde weerlegd met bewijsstukken. Ook de stelling dat eiser voldoende zekerheid heeft gesteld werd verworpen.
De belangenafweging wees uit dat het belang van gedaagde bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan dat van eiser. De vordering tot opheffing van het beslag werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.