ECLI:NL:RBAMS:2021:6475

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 oktober 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
13.101813.20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 SvArt. 262 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen dagvaarding wegens ontucht met minderjarige ongegrond verklaard

Op 14 oktober 2021 heeft de rechtbank Amsterdam het bezwaarschrift behandeld dat was gericht tegen de dagvaarding van verdachte wegens ontucht gepleegd met een minderjarige leerling in de periode augustus-september 2019.

De verdediging voerde aan dat de vervolging lichtvaardig was, dat geen sprake was van opzet en dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie onzorgvuldig was, met schending van de verbaliseringsplicht. De officier van justitie stelde daartegenover dat de bewijsmiddelen geen ontlastend bewijs bevatten en dat geen aanwijzingen waren voor tunnelvisie.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschriftprocedure een summiere toets is gericht op de haalbaarheid van een veroordeling. Gezien de inhoudelijke discussie over opzet en het ontbreken van evidentie dat geen veroordeling mogelijk is, werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard. De zaak zal inhoudelijk worden behandeld op een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard en de dagvaarding blijft in stand.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.101813.20
Uitspraakdatum: 14 oktober 2021
Beschikking op het op 21 september 2021 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift tegen de dagvaarding van mr. I.E. Leenhouwers namens:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende op het adres [adres] .

1.Het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift richt zich tegen de op 18 september 2021 aan verdachte betekende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer, waarbij hij is gedagvaard ter zake van onderstaand feit:
hij op of omstreeks 3 september 2019, in elk geval in of omstreeks de maand
augustus 2019 en/of de maand september 2019 te Amsterdam, in elk geval in
Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn leerling [slachtoffer] , geboren op 2 november 2006, in elk geval met een pupil en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid
toevertrouwde minderjarige, door (tijdens of voorafgaand aan een (muziek)les) een borst van die [slachtoffer] vast te pakken en/of met zijn hand over een borst van die [slachtoffer] te wrijven of te strelen.

2.De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 14 oktober 2021 de officier van justitie, mr. R. Leuven, verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, in raadkamer gehoord.
De raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van een lichtvaardige vervolging en dat verdachte een openbare terechtzitting bespaard zou moeten blijven. Een strafzaak zal ongeacht de uitkomst afbreuk doen aan de reputatie van verdachte en verdere schade toebrengen. Ook bij een summiere beoordeling van de stukken is direct duidelijk dat geen sprake is van opzet. Daarnaast is het onderzoek van het Openbaar Ministerie zeer onzorgvuldig en onvolledig geweest en is de verbaliseringsplicht van artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering geschonden.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat op basis van een summiere toetsing van de bewijsmiddelen niet de conclusie kan worden getrokken dat geen sprake is van opzet. Het scenario dat verdachte schetst vindt geen steun in de bewijsmiddelen. Er is geen direct ontlastend bewijs voor wat verdachte wordt verweten. Er zijn daarnaast geen concrete aanwijzingen dat het Openbaar Ministerie onvoldoende kritisch en objectief naar de zaak heeft gekeken of dat sprake was van tunnelvisie.

3.De beoordeling

Verdachte is ontvankelijk in zijn bezwaar.
De rechtbank stelt voorop dat een bezwaarschriftprocedure een summier karakter heeft en niet vooruit moet lopen op een inhoudelijke beoordeling van een strafzaak op een openbare terechtzitting. Het gaat in deze procedure om een toetsing van de haalbaarheid van een veroordeling. Het criterium daarvoor is of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, die later integraal inhoudelijk oordeelt, het tenlastegelegde (deels) bewezen zal vinden.
De rechtbank vindt dat daarvan in dit geval geen sprake is. Uit het bezwaarschrift en de standpunten in raadkamer, waarbij partijen al uitgebreid op de inhoud zijn ingegaan, blijkt al dat er een inhoudelijke discussie bestaat over de vraag of sprake is van opzet. Deze vraag dient op een onderzoek ter terechtzitting te worden onderzocht. Er is geen sprake van een situatie waarbij al voor het onderzoek ter terechtzitting evident is dat geen veroordeling zal (kunnen) volgen.
Ook doet zich niet een van de andere gevallen voor uit artikel 262, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, die tot buitenvervolgingstelling moeten leiden. Het bezwaarschrift wordt daarom ongegrond verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 14 oktober 2021 door
mr. J. Huber, voorzitter,
mrs. A.C.J. Klaver en J.M.R. Vastenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.