De rechtbank Amsterdam heeft op 15 november 2021 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die werd beschuldigd van witwassen van een bedrag van €100.000, afkomstig uit oplichting gepleegd door twee natuurlijke personen. De rechtbank stelde vast dat het geldbedrag via twee overboekingen op de rekening van de rechtspersoon was gestort en dat de rechtspersoon wist dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat het witwassen aan de rechtspersoon kon worden toegerekend, omdat de enige bestuurder en aandeelhouder van de rechtspersoon ook de feitelijke gang van zaken bepaalde. Medeplegen werd echter verworpen vanwege het ontbreken van nauwe en bewuste samenwerking met anderen dan de bestuurder. De rechtbank sprak de rechtspersoon vrij van het ten laste gelegde medeplegen en het maken van een gewoonte van witwassen.
De strafoplegging bestond uit een geheel voorwaardelijke geldboete van €45.000 met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de draagkracht van de rechtspersoon, de strafmaat voor de natuurlijke persoon achter de rechtspersoon, en de wens om de compensatie van slachtoffers niet te bemoeilijken. De boete werd met 10% verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast werd het tegoed op de bankrekening van de rechtspersoon verbeurdverklaard. De rechtbank verklaarde het bewezen dat de rechtspersoon zich schuldig had gemaakt aan witwassen en sprak de rechtspersoon daarvoor strafbaar. De uitspraak werd gedaan door drie rechters onder voorzitterschap van mr. G.M. van Dijk.