Ymere vordert ontruiming van een sociale huurwoning omdat huurder [gedaagde 1] volgens haar niet zijn hoofdverblijf in de woning houdt en deze aan derden in gebruik geeft. De huurder en zijn dochters verzetten zich tegen deze vordering en vorderen tevens herstel van gebreken aan de woning.
De rechtbank stelt vast dat huurder vanwege medische omstandigheden tijdelijk in een zorgcentrum verblijft, maar dat het aannemelijk is dat hij na ontslag terugkeert naar de woning. De dochters wonen daar om voor hem te zorgen en er is onvoldoende bewijs dat de woning zonder toestemming aan derden is onderverhuurd.
De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de vereiste mate van waarschijnlijkheid voor toewijzing in een bodemprocedure ontbreekt. Ook de vordering tot herstel van gebreken wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Partijen worden in hun proceskosten veroordeeld.