Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
(hierna: de verdediging)naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
medeplegen van een poging tot doodslag op dan wel zware mishandeling van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , allen ambtenaar gedurende/ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, door op het moment dat het inspectievaartuig (RHIB) de AID 5 met daarop voornoemde personen nabij de ARM-7 voer:
medeplegen van mishandeling (veroorzaken van gevoelens van doodsnood/hevige onlust) van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , allen ambtenaar gedurende/ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, door voornoemde handelingen;
medeplegen van opzettelijk doen zinken, vernielen of beschadigen van een vaartuig door de onder feit 2 genoemde handelingen, terwijl daardoor levensgevaar voor de opvarenden te duchten was.
Subsidiair is de culpoze variant ten laste gelegd.
medeplegen van handelen in strijd met artikel 73 lid 7 van Pro Verordening EG 1224/2009 door als kapitein niet te zorgen dat de inspecteurs naar behoren worden ondergebracht en/of dat hun taken worden vergemakkelijkt en/of niet erop toezien dat de inspecteurs niet worden gehinderd bij het vervullen van hun opdracht door de onder feit 2 genoemde handelingen en door zijn bemanning niet in toom te houden.
Subsidiair:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 114 van Pro Verordening EG 404/2011, door nadat de functionarissen aan boord van het inspectievaartuig door geven van het betreffende sein uit het internationaal seinboek dan wel door middel van radiocommunicatie of lichtsignalen te kennen hadden gegeven aan boord te willen komen dat niet overeenkomstig de voorschriften van goed zeemanschap mogelijk te maken door, nadat het inspectievaartuig langszij was gekomen niet op de (licht)seinen of radiocommunicatie te reageren en de handelingen genoemd in feit 1 te verrichten.
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
(hierna: ARM-7)op de Noordzee binnen de territoriale wateren van Frankrijk. Naar aanleiding van een risicoanalyse wilden inspecteurs [naam 4] , [naam 5] en [naam 3] van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit
(hierna: NVWA)de ARM-7 aan een visserijcontrole onderwerpen. De drie inspecteurs zijn daartoe samen met bestuurder [naam 2] en navigator [naam 1] met een
rigid hull inflatable boat(een speciaal klein en wendbaar inspectievaartuig)
(hierna: RHIB)van het moederschip de Barend Biesheuvel naar de ARM7 gevaren. Om 23:50 uur kregen de inspecteurs de ARM-7 in het zicht. De inspecteurs zagen dat op dat moment werd gevist met visnetten. De RHIB is naast de ARM-7 gaan varen en de ARM-7 is verschillende keren via de marifoon opgeroepen, maar hierop kwam geen reactie. Ook werd niet gereageerd op het met een schijnwerper aanschijnen van de brug van het schip. Vervolgens is de RHIB aan bakboorzijde langszij de ARM-7 geplaatst zodat de inspecteurs konden overstappen en de visserijcontrole op het schip konden uitvoeren.
gebruikvan deze binnenkuilen was op dat moment niet - of in ieder geval niet op grond van artikel 16 van Pro Verordening 850/98 - verboden.
5.Vordering van de benadeelde partij
6.Beslissing
spreekt verdachtedaarvan
vrij.
niet-ontvankelijkin haar vordering.