Een vrouw met haar meervoudig gehandicapte zoon vraagt maatschappelijke opvang aan in Amsterdam. Het college wijst dit af omdat de vrouw volgens een zorgvuldige screening voldoende zelfredzaam is en de hulpvraag vooral bestaat uit het vinden van een rolstoelvriendelijke woning. De vrouw maakt bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het verblijf in de noodopvang is verlengd.
De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Uit de screening blijkt dat de vrouw actief oplossingen zoekt, geen beperkingen in het huishouden ervaart en in staat is haar zaken te regelen. De medische problematiek van haar zoon is ernstig, maar er is geen sprake van opvoedkundige problematiek die maatschappelijke opvang vereist. De bestaande hulp via noodopvang, maatschappelijk werk en buurtteam wordt als voldoende gezien.
De vrouw voert aan dat de noodopvang ontoereikend is en dat zij hulp nodig heeft bij het vinden van woonruimte. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de vrouw niet heeft onderbouwd welke extra ondersteuning zij via maatschappelijke opvang verwacht. De situatie is niet onhoudbaar en de menselijke waardigheid van haar zoon is niet in het geding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.