ECLI:NL:RBAMS:2021:6829

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
9510162 EA VERZ 21-662
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:629 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding slapend dienstverband en berekening transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid

De werknemer is sinds 2011 in dienst en sinds 2012 langdurig arbeidsongeschikt, met een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 2014 en een 80-100% WIA-beslissing vanaf 2021. De loondoorbetalingsverplichting eindigde per 31 januari 2021. De werknemer verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c lid 1 BW vanwege het slapend dienstverband en eiste betaling van de transitievergoeding over de gehele dienstverbandperiode.

De werkgever stemde in met ontbinding maar betwistte de periode waarover de transitievergoeding berekend moest worden, stellende dat dit tot 31 januari 2021 moest zijn. De kantonrechter oordeelde dat de ontbinding toewijsbaar is en volgde de werkgever in de berekening van de transitievergoeding tot het einde van de loondoorbetalingsperiode, conform het Xella-arrest.

Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking, het verstrekken van een bruto/netto specificatie, vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De kantonrechter wees het verzoek om een dwangsom af omdat de werkgever toezegde de specificatie te verstrekken. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 8 december 2021.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 8 december 2021 en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding tot 31 januari 2021, vermeerderd met rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9510162 EA VERZ 21-662
beschikking van: 8 december 2021
func.: 49017

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
nader te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. Bos,
t e g e n

de besloten vennootschap [verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
nader te noemen: [verweerster] ,
vertegenwoordigd door: [naam] .

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Werknemer heeft op 20 oktober 2021 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c van het Burgerlijk Wetboek (BW), met nevenverzoeken.
Het verzoek is ter terechtzitting behandeld op 17 november 2021. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Namens [verweerster] is mevr. [naam] (procuratiehouder) verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965, is op 2 mei 2011 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [verweerster] . De laatste functie die [verzoeker] vervulde is die van Reisleider zakelijke markt, met een salaris van € 2.250,75 bruto per maand inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering.
1.2.
[verzoeker] is in augustus 2012 uitgevallen wegens ziekte. Aan [verzoeker] is vanaf 27 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 37,69%.
1.3.
Op 14 februari 2019 is [verzoeker] weer uitgevallen. Dit heeft geresulteerd in een 80-100% arbeidsongeschiktheid WIA beslissing per 1 februari 2021. De loondoorbetalingsverplichting van artikel 7:629 BW Pro van 104 weken is per 31 januari 2021 opgehouden.
1.4.
De (toenmalige) gemachtigde van [verzoeker] heeft [verweerster] per brief van 17 maart 2021 en per e-mailbericht van 14 oktober 2021 verzocht het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen, onder toekenning van de transitievergoeding. [verweerster] heeft op 30 maart 2021 te kennen gegeven een ontslagvergunning bij het UWV aan te vragen, maar is hiertoe tot op heden niet overgegaan.

Verzoek en verweer

2. [verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW. Verder verzoekt [verzoeker] om [verweerster] te veroordelen tot: 1) betaling van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding vanaf aanvang dienstverband tot einde dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke rente, 2) het binnen acht dagen verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie van de transitievergoeding op straffe van een dwangsom en 3) betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 847,00. Dit alles met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.
3. Aan dit verzoek legt [verzoeker] – kort gezegd - ten grondslag dat sprake is van omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte termijn behoort te eindigen. [verzoeker] is niet (meer) in staat de bedongen arbeid te verrichten en er is geen reële herplaatsingsmogelijkheid. Volgens [verzoeker] is sprake van een zogeheten ‘slapend dienstverband’. [verweerster] is op grond van de rechtspraak gehouden mee te werken aan beëindiging van dat dienstverband en tot betaling van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding. De door [verweerster] te betalen transitievergoeding dient te worden berekend over de periode aanvang dienstverband tot aan de datum waarop het dienstverband daadwerkelijk zal zijn beëindigd, omdat de vertraging van de beëindiging voor rekening van [verweerster] dient te komen.
4. [verweerster] voert geen verweer tegen de verzochte ontbinding en vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding, maar voert aan dat de vergoeding dient te worden berekend over de periode aanvang dienstverband tot 31 januari 2021.

Beoordeling

Ontbinding

5. De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW).
6. Niet in geschil is dat [verzoeker] langdurig arbeidsongeschikt is en dat sprake is van een slapend dienstverband. Ook [verweerster] wenst de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter zal het verzoek tot ontbinding dan ook toewijzen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671c BW ontbinden met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 8 december 2021.

Vergoeding

7. Dat [verzoeker] ingevolge het Xella-arrest (ECLI:NL:HR:2019:1734) aanspraak heeft op een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding staat niet ter discussie. Partijen twisten (enkel) over de vraag over welke periode deze vergoeding moet worden berekend.
8. Uit het Xella-arrest volgt dat de vergoeding niet meer hoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. De kantonrechter ziet in hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Beide partijen hebben stilgezeten in de periode tussen maart en oktober 2021. Dit betekent dat de vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding zal worden berekend tot 31 januari 2021. Dit komt neer op een bedrag van € 7.315,28 bruto. [verweerster] zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.
9. De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking, omdat de vergoeding vanaf dat moment opeisbaar is.

Specificatie

10. De vordering om [verweerster] te veroordelen om binnen acht dagen na de beschikking een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken van het onder 8 vermelde bedrag zal eveneens worden toegewezen. De ter zake van deze specificatie gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, nu [verweerster] ter zitting naar voren heeft gebracht de specificatie te zullen verstrekken en er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat zij hier niet aan zal voldoen.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

11. De door [verzoeker] gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 847,00 – waartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd - zal eveneens worden toegewezen, nu [verzoeker] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het gevorderde bedrag niet meer bedraagt dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief.
11. De kantonrechter volgt [verweerster] niet in haar standpunt dat [verzoeker] de (eigen) kosten van de procedure dient te dragen. Dat de arbeidsovereenkomst met een ontbindingsverzoek, en niet middels een vaststellingsovereenkomst, is geëindigd, is (mede) aan [verweerster] zelf te wijten, nu zij geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen dan wel een ontslagvergunning bij het UWV heeft aangevraagd. [verzoeker] heeft dus op goede gronden het onderhavige verzoek ingediend. [verweerster] zal daarom met de proceskosten worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 december 2021;
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen de vergoeding van € 7.315,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2021 tot aan de voldoening;
veroordeelt [verweerster] om binnen acht dagen na betekening van de beschikking een deugdelijke bruto/netto specificatie van de vergoeding onder II te verstrekken;
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 847,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot heden begroot op € 85,00 aan griffierecht en € 498,00 aan salaris gemachtigde, derhalve in totaal
€ 583,00, voor zover van toepassing inclusief btw;
veroordeelt [verweerster] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [verweerster] binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Walraven, kantonrechter en op 8 december 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter