De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 november 2021 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Letland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd in 2018. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden, waarvan nog ruim drie jaar resteert. De rechtbank stelde de identiteit van de persoon vast en onderzocht de inhoud van het EAB.
De verdediging voerde aan dat overlevering niet evenredig is omdat de opgelegde straf in Letland disproportioneel hoog is ten opzichte van wat in Nederland voor een soortgelijk feit zou worden opgelegd. Tevens werden de slechte detentieomstandigheden in Letland en de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon aangevoerd als reden om overlevering te weigeren.
De officier van justitie betoogde dat geen sprake is van stelselmatige onevenredigheid en dat er geen betrouwbare gegevens zijn die wijzen op een reëel gevaar van onmenselijke behandeling in Letland. De rechtbank oordeelde dat het stelsel van de Overleveringswet (OLW) gebaseerd is op het evenredigheidsbeginsel, maar dat uitzonderlijke omstandigheden nodig zijn om overlevering te weigeren. Deze omstandigheden waren niet aanwezig. De persoonlijke situatie en detentieomstandigheden rechtvaardigen geen weigering.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, er geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering moet worden toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.