De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 november 2021 een vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter te Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en het schieten met een vuurwapen op een woning.
De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie onvoldoende was onderbouwd en daardoor ongenoegzaam. De officier van justitie stelde daarentegen dat het EAB voldoende aanwijzingen bevatte en dat het verzoek aan de wettelijke eisen voldeed. De rechtbank oordeelde dat het EAB een voldoende duidelijke omschrijving bevatte, inclusief tijdstip, plaats en betrokkenheid, en dat het specialiteitsbeginsel werd gewaarborgd.
De rechtbank stelde vast dat de feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet voorkomen, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. Tevens werd een garantie van de Belgische autoriteiten aanvaard dat de opgeëiste persoon, als hij tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze in Nederland zal mogen ondergaan.
Ten aanzien van detentieomstandigheden concludeerde de rechtbank dat de algemene garantie van de Belgische autoriteiten voldoende waarborgt dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van de wettelijke vereisten, werd de overlevering toegestaan.