Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering
3.Grondslag van de vordering
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
medeplegen van oplichting;
witwassen.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €148.000, voortkomend uit hypotheekfraude waarbij verdachte betrokken was. De woning was gekocht door de broer en schoonzus van verdachte met een hypotheek verkregen door middel van valse documenten. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen.
De officier van justitie stelde dat verdachte het voordeel had genoten omdat hij de woning gebruikte en de waardestijging toekwam aan hem. De verdediging betoogde dat verdachte niet de eigenaar was en dus geen voordeel genoot. De rechtbank oordeelde dat voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel vereist is dat verdachte feitelijk eigenaar is, wat niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat de woning juridisch eigendom was van de broer en schoonzus, dat het gebruik door verdachte niet automatisch eigendom impliceert, en dat er geen aanwijzingen waren waarom de woning niet op naam van verdachte zou staan. Ondanks dat verdachte rente en hypotheeklasten betaalde, kon niet worden geconcludeerd dat hij aanspraak kon maken op de waardevermeerdering.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af omdat niet was komen vast te staan dat verdachte het voordeel daadwerkelijk had behaald.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af omdat verdachte niet als feitelijk eigenaar van de woning kan worden aangemerkt.