ECLI:NL:RBAMS:2021:7303
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ontnemingszaak na voldoening schikking wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De vordering betrof het vaststellen en opleggen van betaling van het voordeel verkregen door strafbare feiten waarvoor veroordeelde reeds was veroordeeld.
Veroordeelde was bij vonnis van 26 april 2019 veroordeeld voor het bezit en verhandelen van harddrugs en gewoontewitwassen. De officier van justitie had een ontnemingsschikking getroffen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op € 50.000,00. Veroordeelde had dit bedrag volledig voldaan.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 6:4:18 Wetboek Pro van Strafvordering de zaak van rechtswege is geëindigd indien de schikking is voldaan. Hoewel de wet niet voorschrijft hoe de rechtbank dit moet beslissen, achtte de rechtbank het passend om te verklaren dat de zaak is geëindigd, aansluitend bij jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De rechtbank verklaarde daarom dat de zaak van rechtswege is geëindigd. Hiermee is de ontnemingsprocedure formeel afgesloten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontnemingszaak van rechtswege beëindigd na volledige voldoening van de ontnemingsschikking.