Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.016,00
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een kort geding waarin eiser verzocht om schorsing van de executie van een civiel vonnis uit 2015, waarin hij aansprakelijk werd gesteld voor seksueel misbruik van gedaagde en veroordeeld tot schadevergoeding. Eiser was in een strafzaak vrijgesproken van dezelfde feiten in hoger beroep in 2021.
Eiser stelde dat het civiele vonnis berust op een juridische en feitelijke misslag, dat de executie van het vonnis misbruik van recht is, en dat beslaglegging op zijn inkomen en schadevergoeding onredelijk en onrechtvaardig is. Hij voerde tevens aan dat hierdoor zijn recht op een eerlijk proces en onschuldpresumptie uit artikel 6 EVRM Pro zijn geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de civiele en strafrechtelijke procedures los van elkaar staan, dat de bewijsmaatstaf in civiele procedure lager is en dat de strafrechtelijke vrijspraak het civiele vonnis niet automatisch onderuit haalt. Er was geen sprake van misbruik van recht door gedaagde, die een executoriale titel heeft en gebruikmaakt van verhaalsmogelijkheden. De beslagvrije voet wordt toegepast en een noodtoestand bij eiser is niet vastgesteld.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot schorsing van de executie af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het vonnis werd op 2 december 2021 gewezen door mr. E.A. Messer.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing executie civiel vonnis na strafrechtelijke vrijspraak wordt afgewezen.