Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.Inleiding
3.Beschuldiging (tenlastelegging)
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Rechtbank Amsterdam
Het onderzoek betrof het gebruik van digestaat afkomstig van een industriële vergister die dierlijke bijproducten verwerkt, waarbij werd onderzocht of dit digestaat als meststof werd gebruikt en of de administratie hierover werd bijgehouden.
De verdenking ontstond na een anonieme melding en vervolgonderzoek, waaronder camera-observaties en het plaatsen van peilbakens op tankopleggers, die leveringen van digestaat aan verschillende bedrijven suggereerden. Verdachte werd beschuldigd van feitelijk leiding geven aan het medeplegen van het gebruik van digestaat als meststof en het niet bijhouden van administratie.
De verdediging voerde onder meer aan dat er geen bewijs was dat digestaat daadwerkelijk was geleverd aan het bedrijf [medeverdachte 3], dat het materiaal mogelijk biomassa betrof en dat er geen onderzoek was gedaan naar het gebruik ervan op de bodem. De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs had geleverd dat digestaat was afgeleverd en gebruikt als meststof bij [medeverdachte 3]. Ook was niet vastgesteld dat administratieplicht werd geschonden.
De rechtbank verwierp de bezwaren tegen de rechtmatigheid van opsporingsbevoegdheden en stelde vast dat het bewijs van een verklaring van een chauffeur vanwege een vormverzuim moest worden uitgesloten, maar dat de feitelijke constateringen wel mochten worden meegewogen.
Gezien het ontbreken van bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten van feitelijk leiding geven en medeplegen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van feitelijk leiding geven aan het gebruik van niet-toegestane digestaat als meststof en het niet bijhouden van administratie.