ECLI:NL:RBAMS:2021:7743

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2021
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
C/13/712050 / HA RK 21-449
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 AwbArt. 8:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens schijn van partijdigheid

Bij de rechtbank Amsterdam zijn twee bestuursrechtelijke zaken aanhangig onder de zaaknummers AMS 20/4056 en 20/4074, gepland voor mondelinge behandeling op 17 maart 2022. De rechter heeft een verzoek tot verschoning ingediend omdat een advocaat in beide zaken recentelijk verbonden was aan het advocatenkantoor mede opgericht door haar zus. Dit kan de schijn van partijdigheid wekken.

De rechtbank beoordeelt het verzoek op grond van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verschoning is bedoeld om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te waarborgen. De rechtbank concludeert dat er een geobjectiveerde vrees bestaat dat de rechter de zaken niet onpartijdig kan behandelen.

Daarom wordt het verzoek tot verschoning toegewezen zonder mondelinge behandeling. De procedures worden voortgezet door een andere rechter. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Een afschrift van de beslissing wordt toegezonden aan de betrokken partijen.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning wordt toegewezen en de zaken worden voortgezet door een andere rechter.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het onder rekestnummer C/13/712050 / HA RK 21-449 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:
mr. A.M. van der Linden-Kaajan, lid van de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Bij de afdeling Publiekrecht van de Rechtbank te Amsterdam zijn onder zaaknummer AMS 20/4056 en 20/4074 twee zaken aanhangig die bij de rechter in behandeling zijn. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 17 maart 2022.

2.Het verzoek

2.1.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding is gebleken dat in beide zaken een advocaat optreedt die tot voor kort verbonden was aan het advocatenkantoor dat mede is opgericht door de zus van de rechter. De rechter wil iedere schijn van partijdigheid vermijden en verzoekt om zich te mogen verschonen.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 8:15 van Pro de Awb genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.
3.3.
De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaken niet onpartijdig kan behandelen, gelet op hetgeen de rechter aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en voorts mede gelet op aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak. Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.
De rechtbank:
 wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de procedures in de hoofdzaak met zaaknummer AMS 20/4056 en 20/4074 worden voortgezet voor een andere rechter;2
 beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:20 Awb Pro wordt toegezonden aan:
 partijen die bij de zaak zijn betrokken,
 de rechter.
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en K.A. Brunner, leden, op 31 december 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.