ECLI:NL:RBAMS:2021:7878

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
AMS 21/2976
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.C.S. van Limburg Stirum
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WobArt. 365 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing Wob-verzoek inzake huur vliegtuig

Eiser heeft een Wob-verzoek ingediend bij de minister van Justitie en Veiligheid over documenten betreffende de huur van een vliegtuig waarmee een verdachte in Nederland arriveerde. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen omdat er geen documenten binnen het Openbaar Ministerie (OM) aanwezig zijn die onder het Wob-verzoek vallen.

Na een inventarisatie en navraag bij politie en overige bestuursorganen concludeerde verweerder dat er geen relevante documenten berusten onder het OM. Eiser stelde dat het onmogelijk is dat de gevraagde informatie niet aanwezig is, omdat het vliegtuig gehuurd is en de politie en minister niet over documenten beschikken.

De rechtbank oordeelt dat verweerder een gedegen onderzoek heeft verricht, waarbij verschillende medewerkers en systemen zijn geraadpleegd. De enkele stelling van eiser dat documenten aanwezig moeten zijn, is onvoldoende onderbouwd. Bovendien is er een document gevonden bij de politie dat onder het Wob-verzoek valt, maar niet openbaar is gemaakt vanwege een bijzondere regeling.

Daarom is niet aannemelijk dat er documenten onder verweerder berusten die zien op het Wob-verzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het Wob-verzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/2976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

( [gemachtigde eiser] )
en

het College van procureurs-generaal, verweerder

(gemachtigde: mr. B. van Duijn).

Procesverloop

Met een besluit van 15 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Met een besluit van 21 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2021. Eiser was aanwezig samen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Op 30 september 2020 heeft eiser een verzoek ingediend bij de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) om meer informatie over de huur van het vliegtuig waarmee verdachte [naam] . op 19 december 2019 in Nederland is gearriveerd (het Wob-verzoek). Het Wob-verzoek omvat de volgende punten:
Alle informatie en documenten met betrekking tot het overleg van de nationale politie met de minister of het Openbaar Ministerie (het OM) (of met enig ander overheidsorgaan) over de huur van het vliegtuig;
Alle correspondentie met betrekking tot de huur van het vliegtuig met het bedrijf [naam bedrijf] ;
De factuur die ziet op de huur van het vliegtuig dat door [naam bedrijf] is gestuurd.
2. De minister heeft het Wob-verzoek op 8 oktober 2020 doorgestuurd naar de korpschef van de politie en verweerder. [1] In een reactie van 4 maart 2021 heeft de korpschef van de politie aan eiser medegedeeld dat wat betreft het eerste punt van het Wob-verzoek één document is aangetroffen die binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Op dit document is een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing, namelijk
artikel 365 van Pro het Wetboek van Strafvordering en daarom is het document niet openbaargemaakt.
3. Verweerder heeft met het primaire besluit aan eiser kenbaar gemaakt dat na inventarisatie is gebleken dat er bij het OM geen documenten aanwezig zijn die onder het bereik van het Wob-verzoek vallen. Omdat enkele medewerkers van het OM die mogelijk over de door eiser verzochte informatie beschikten niet meer in dienst zijn van het OM, heeft het OM de politie verzocht om te onderzoeken of zij over documenten beschikken die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen waaruit blijkt dat er met het OM is gecorrespondeerd. Volgens de politie is dit niet het geval.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is de inventarisatie gedegen uitgevoerd en weergegeven in het primaire besluit. Met betrekking tot de vertrokken medewerkers, is na navraag gebleken dat er geen documenten zijn aangetroffen bij de politie waar het OM ook over zou moeten beschikken. Volgens verweerder heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt dat er onder het OM documenten zouden moeten berusten. Informatie opvragen van de reeds vertrokken medewerkers is niet meer mogelijk, omdat de mailboxen van vertrokken medewerkers drie maanden na uitdiensttreding worden verwijderd.
Standpunt eiser
5. Eiser acht het onmogelijk dat de gevraagde informatie niet aanwezig is bij verweerder, omdat vaststaat dat het vliegtuig is gehuurd en zowel de politie als de minister niet beschikken over de verzochte documenten.
Beoordeling van de rechtbank
6. Volgens vaste rechtspraak [2] is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.
7. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In de zoektocht naar eventuele documenten heeft verweerder navraag gedaan bij verschillende medewerkers en is gezocht in interne systemen naar dossiers en zaaknummers, waarbij gebruik is gemaakt van verschillende zoektermen. Ook heeft verweerder bij de overige bestuursorganen navraag gedaan of verweerder over bepaalde documenten moest beschikken. Gelet op deze zoekslag komt de mededeling van verweerder dat er geen documenten onder hem berusten de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
Eiser is van mening dat er wel documenten onder verweerder berusten, omdat de minister en de politie niet beschikken over informatie en de informatie dus wel bij verweerder moet liggen. De rechtbank is echter van oordeel dat die enkele stelling nog niet aannemelijk maakt dat er stukken bij verweerder te vinden zijn. Eiser heeft zijn stelling dat deze documenten zich onder verweerder bevinden niet nader onderbouwd of geconcretiseerd en hoewel de rechtbank het met eiser eens is dat iemand het betreffende vliegtuig geregeld en betaald moet hebben, betekent dit nog niet dat die informatie dan automatisch bij verweerder berust. Bovendien heeft de politie wel een document gevonden dat onder het Wob-verzoek van eiser valt en waarvan de inhoud niet bekend is gemaakt. Het is daarmee goed mogelijk dat de informatie over de huur van het vliegtuig daarin wordt vermeld. De rechtbank is daarmee van oordeel dat niet aannemelijk is dat er toch documenten onder verweerder moeten berusten die zien op het Wob-verzoek van eiser.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bissumbhar, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 december 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4 van Pro de Wob.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van