De rechtbank Amsterdam heeft op 9 november 2021 uitspraak gedaan in twee aan verdachte ten laste gelegde zaken. In zaak A werd verdachte beschuldigd van bedreiging met verkrachting, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of zware mishandeling door het vasthouden en tonen van een mes aan aangeefster. In zaak B werd verdachte beschuldigd van het voorhanden hebben van een nepvuurwapen.
Na beoordeling van het bewijs oordeelde de rechtbank dat in zaak A onvoldoende bewijs was voor bedreiging met enig misdrijf, ondanks het feit dat verdachte een mes bij zich had. De verklaringen van aangeefster waren tegenstrijdig en er ontbrak een nadere handeling of opmerking die een bedreiging kon bevestigen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij in zaak A.
In zaak B werd vastgesteld dat verdachte op straat werd staande gehouden en een nepvuurwapen bij zich had, dat qua vorm en afmetingen sterk leek op een echt pistool. Verdachte erkende dit en de rechtbank verklaarde dit feit bewezen. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een onherstelbaar vormverzuim, omdat verdachte nog niet als verdachte kon worden aangemerkt toen hem vragen werden gesteld. De strafmaat werd vastgesteld op een geldboete van €750, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte in zaak A werd vrijgesproken.