Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Vrijspraak
5.Beslissing
spreekt verdachtedaarvan
vrij.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van valsheid in geschrift in de periode van november 2014 tot april 2015. Het betrof deelnamecertificaten, e-mails en een projectovereenkomst waarin onjuiste verklaringen werden vermeld over deelname aan een subsidieprogramma bij een mbo-instelling.
Verdachte werkte destijds bij de mbo-instelling en was sinds juni 2014 arbeidsongeschikt, maar had nog wel toegang tot zijn werkmail. De officier van justitie stelde dat verdachte de certificaten had opgemaakt en ondertekend, e-mails had verzonden namens de mbo-instelling zonder daartoe bevoegd te zijn, en een projectovereenkomst had opgesteld en ondertekend. De rechtbank vond echter onvoldoende bewijs dat verdachte deze documenten had vervaardigd of ondertekend.
De handtekeningen op de certificaten konden niet worden toegeschreven aan verdachte en de documenten waren niet bij hem aangetroffen. Ook de e-mails werden weliswaar door verdachte verstuurd, maar er was geen bewijs dat hij wist dat hij daartoe niet bevoegd was of dat hij opzettelijk onjuiste informatie gaf. De projectovereenkomst was niet door verdachte opgesteld of ondertekend en de verklaringen van medeverdachten waren onvoldoende betrouwbaar.
De rechtbank concludeerde dat de tenlastegelegde feiten niet bewezen konden worden en sprak verdachte vrij van valsheid in geschrift. Het vonnis werd uitgesproken op 17 december 2021 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van valsheid in geschrift wegens onvoldoende bewijs.