De zaak betreft een geschil over de aard van een huurovereenkomst en de redelijkheid van de overeengekomen aanvangshuurprijs van een kamer. Eiseres huurt sinds 1 juli 2020 een kamer voor een all-in prijs van € 650,-, met een contract dat vermeldt dat het voor bepaalde tijd is, namelijk 12 maanden tot 1 juli 2021. Eiseres had de huurprijs bij de huurcommissie willen toetsen, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens de huurcommissie geen sprake zou zijn van een tijdelijke huurovereenkomst.
Eiseres stelde dat het contract wel degelijk tijdelijk was, zodat de termijn om de huurprijs te toetsen zes maanden na afloop van de overeenkomst liep. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst kenmerken van zowel tijdelijke als onbepaalde tijd met minimumduur bevatte, maar dat de omstandigheden en communicatie tussen partijen erop wezen dat de huurder zich bewust was van de tijdelijkheid. De verhuurder had de overeenkomst opgesteld en moest de onduidelijkheden dragen.
De kantonrechter stelde daarom vast dat het verzoek van eiseres tijdig was ingediend en dat de huurprijs op € 175,87 moest worden vastgesteld, met een voorschot voor bijkomende leveringen en diensten van € 162,50. De verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van € 3.944,05 aan onverschuldigde huur en servicekosten, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.