ECLI:NL:RBAMS:2021:8046

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 oktober 2021
Publicatiedatum
13 april 2022
Zaaknummer
C/13/700588 / JE RK 21-294
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging uithuisplaatsing minderjarige na langdurige jeugdhulp

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 oktober 2021 een zaak betreffende de uithuisplaatsing van een minderjarige, waarbij de William Schrikker Stichting (WSS) verzocht om de uithuisplaatsing niet langer te verlengen. De minderjarige verbleef sinds 23 augustus 2021 weer bij haar moeder na een langdurige periode van uithuisplaatsing en diverse tijdelijke verblijven.

Uit het psychodiagnostisch onderzoek bleek dat de minderjarige een licht verstandelijke beperking heeft en dat haar trauma vooral samenhangt met de uithuisplaatsing zelf. Er waren geen aanwijzingen voor misbruik of mishandeling. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing stabiliteit in haar leven gebracht en werkt constructief mee aan de hulpverlening.

De Raad voor de Kinderbescherming stemde in met beëindiging van de uithuisplaatsing, gezien de positieve ontwikkelingen en de toezichthoudende rol die blijft bestaan via de ondertoezichtstelling. De rechtbank betreurde de lange periode van uithuisplaatsing en het gebrek aan tijdige beslissingen, maar oordeelde dat geen gronden meer bestaan voor voortzetting van de uithuisplaatsing.

De rechtbank wees het restant van het verzoek tot verlenging af en benadrukte het belang van een interne evaluatie binnen de WSS en reflectie op het verlengingsproces van de machtiging. De minderjarige blijft onder toezicht en krijgt passende ambulante begeleiding thuis.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing wordt afgewezen en de minderjarige woont weer bij haar moeder met passende begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/700588 / JE RK 21-294
Datum uitspraak: 26 oktober 2021

Beschikking

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

locatie Amsterdam, hierna te noemen: de WSS,
betreffende

[betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [betrokkene] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. D. van der Wal.

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. R.T. Laigsingh.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 22 juli 2021;
- ( concept) rapportage psychodiagnostisch onderzoek [locatie] , onderzoeksdata juni – augustus 2021;
- ‘ Toetsing voorgenomen besluit beëindiging uithuisplaatsing’ van de Raad van 14 oktober 2021.
Op 26 oktober 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de vader;
- de heer [naam] , namens de WSS.
Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vader niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [betrokkene] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van 30 mei 2017 is [betrokkene] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 30 mei 2022.
In het kader van de ondertoezichtstelling is [betrokkene] uithuisgeplaatst. De machtiging is laatstelijk verlengd voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [locatie] , tot 30 oktober 2021. Het restant van het verzoek tot uithuisplaatsing is aangehouden.
[betrokkene] verblijft sinds 23 augustus 2021 weer bij de moeder.

Het verzoek

De WSS verzoekt de uithuisplaatsing van [betrokkene] niet langer te verlengen en het restant van het verzoek af te wijzen. De WSS verwijst daartoe naar eerdergenoemd rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.
Sinds maart 2021 verbleef [betrokkene] op een observatie en behandelgroep van
[locatie] . Daarvoor heeft [betrokkene] eerst bij grootouders (vz), daarna Villa Expert
en vervolgens op een groep van Family Supporters (ter overbrugging) verbleven.
Het heeft ruim anderhalf jaar geduurd voordat er een passende plek voor [betrokkene] beschikbaar was. Hierdoor heeft [betrokkene] langdurig in onduidelijkheid gezeten over waar zij zou verblijven.
[locatie] had zich bij plaatsing van [betrokkene] voorbereid op een meisje dat heel veel aandacht nodig had. Om aan te sluiten heeft [betrokkene] dagelijks 1-op-1coaching gehad. Ze is onderzocht in het kader van diagnostiek voor behandeling. Wat direct al opviel is dat [betrokkene] zich voorbeeldig gedroeg op de groep. Er is geen sprake geweest van woede-uitbarstingen of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ze had in het begin nog wel ongelukjes in de nacht, maar kon hierbij hulp vragen. Bij het onderhouden van haar persoonlijke hygiëne accepteerde ze persoonlijke begeleiding. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat [betrokkene] een licht verstandelijke beperking heeft maar dat bepaalde achterstanden te wijten zijn aan het niet krijgen van onderwijs in de afgelopen twee jaar. De orthopedagoog heeft gesprekken gevoerd met [betrokkene] om inzichtelijk te krijgen in hoeverre ze getraumatiseerd is. Hieruit bleek dat haar voornaamste trauma is gelegen in de uithuisplaatsing. Over mogelijk misbruik dan wel mishandeling is niets gebleken. [betrokkene] toont geen signalen dat ze op dat vlak is getraumatiseerd. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing weer stabiliteit in haar leven gecreëerd. Ze draagt de zorg voor haar oudste dochter en jongste zoon, en ziet haar andere zoon eens in de twee weken in het weekend. Daarnaast woont ze in een vier kamerappartement in [woonplaats 1] dat schoon is en voldoende ruimte biedt voor het gezin. De moeder heeft een baan als verzorgende. Ten aanzien van de medewerking aan de hulpverlening heeft de moeder zich sinds de uithuisplaatsing constructief opgesteld. Met [locatie] is de samenwerking zeer goed. Moeder onderhoudt zelf het contact met de groep, is altijd op afspraken en is bereid mee te werken aan ambulante opvoedondersteuning.
[betrokkene] is op 23 augustus 2021 weer bij haar moeder gaan wonen. Vanuit [locatie] zal ambulante begeleiding worden geboden in de thuissituatie aan [betrokkene] en moeder, tevens zal er poliklinische gezinsbehandeling worden ingezet. [betrokkene] bezoekt vanuit moeder nog het onderwijs op het terrein van [locatie] . De moeder is met de gezinsvoogd op zoek naar onderwijs in de regio, gedacht wordt aan een SBO te Hilversum. De moeder heeft geregeld dat als zij werkt [betrokkene] naar de BSO kan of wordt opgevangen door tante mz.
De Raad voor de Kinderbescherming is er voldoende gerust op dat de ouders – met steun van netwerk en hulpverlening – voldoende tegemoet komen aan wat [betrokkene] nodig heeft, wanneer zij weer thuis gaat wonen, omdat [betrokkene] bijna geen probleemgedrag laat zien, zij het thuis bij moeder goed doet en er hulp geboden wordt aan haar en haar moeder. Tevens zal middels de ondertoezichtstelling nog toezicht zijn op de situatie zodat tijdig extra hulp ingezet kan worden indien nodig. De Raad voor de Kinderbescherming stemt daarom in met beëindiging van de uithuisplaatsing.

Het standpunt van de belanghebbenden op de mondelinge behandeling

De WSS heeft toegelicht dat nog gaande het onderzoek in [locatie] versneld is overgegaan op terugplaatsing naar de moeder. Met de wijsheid van nu hadden veel eerder andere beslissingen moeten zijn genomen. De WSS vindt het zeer kwalijk en heel spijtig en is intern bezig met de evaluatie waar het is misgegaan. Daarna is de WSS voornemens om in gesprek met de ouders te gaan.
De raadsman heeft namens de vader naar voren gebracht dat de vader erg blij is dat [betrokkene] weer terug is bij haar moeder. De ouders hebben goed contact en maken onderling afspraken over de omgang. Uithuisplaatsing is zeer kwalijk geweest. De raadsman verwacht dat dit ook hogerop binnen de organisatie van de WSS zal worden besproken en zal worden teruggekoppeld aan de ouders.
De raadsman van de moeder heeft aangevoerd dat in deze zaak veel steken zijn laten vallen. De uithuisplaatsing is op veel te magere gronden verleend en verlengd en ondertussen werden er geen stappen door de jeugdhulpverlening genomen. De raadsman is van mening dat ook de kinderrechter te makkelijk over het gevoerde verweer van de ouders is heen gestapt, waardoor er steeds een rechterlijke uitspraak aan de uithuisplaatsing ten grondslag lag.
De moeder heeft naar voren gebracht dat het drie tergende vermoeiende jaren zijn geweest. Het is zonde van de tijd geweest en dit kan niet meer worden ingehaald. [betrokkene] wilde heel graag naar huis en zij voelde zich ook vrijwel meteen weer thuis.

De beoordeling

De kinderrechter is met de WSS en de ouders van oordeel dat er geen gronden meer bestaan om [betrokkene] uit huis te plaatsen. Zij woont inmiddels ook weer thuis bij de moeder. Het restant van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Het is voor [betrokkene] en de ouders zeer kwalijk en verdrietig hoe een en ander is gelopen en dit wordt ook door de kinderrechter zeer betreurd. Het gaat om kostbare levensjaren die de ouders en [betrokkene] van elkaar waren gescheiden. Het is van groot belang dat een interne evaluatie binnen de WSS plaatsvindt en dat daarna daarover met de ouders in gesprek wordt gegaan. Ook de kinderrechter zal reflecteren op de wijze waarop in deze zaak steeds een verlenging van de machtiging tot de uithuisplaatsing is afgegeven.

De beslissing

De kinderrechter:
- wijst het restant van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.S. Crince le Roy, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 15 november 2021.