ECLI:NL:RBAMS:2021:8102
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak VOF
De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen een vennootschap onder firma (VOF) die werd verdacht van het ontvangen en gebruiken van digestaat als meststof, waarvoor zij een betaling ontving. De officier van justitie stelde dat de VOF wederrechtelijk voordeel had verkregen van €63.750,- en vorderde ontneming van dit bedrag.
Tijdens de terechtzittingen op 20 en 27 september, 6 en 11 oktober en 6 december 2021 werd het standpunt van de verdediging toegelicht, die ontkende dat digestaat was ontvangen of betaald. De rechtbank nam kennis van de rapporten en conclusies van partijen.
In het vonnis in de hoofdzaak werd geoordeeld dat niet bewezen kon worden dat de VOF digestaat of een andere stof als meststof had ontvangen. Hierdoor verviel de grondslag voor de ontnemingsvordering. De rechtbank wees daarom de vordering van de officier van justitie af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 6 december 2021, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis tekenden.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen omdat niet bewezen is dat de VOF digestaat heeft ontvangen.