ECLI:NL:RBAMS:2021:8104

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 december 2021
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
13-846012-17 ontneming
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel tegen onderneming

De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen een onderneming wegens het vermeend illegaal gebruik van dierlijke meststoffen. Het OM stelde dat de onderneming wederrechtelijk voordeel had behaald door het illegaal toepassen van fosfaatruimte, berekend op een bedrag van €46.340.

Na meerdere zittingen en schriftelijke stukken heeft de rechtbank geoordeeld dat niet bewezen is dat de onderneming de fosfaatruimte illegaal heeft benut. De afvoer en verwerking van dierlijke meststoffen waren volgens de rechtbank correct verantwoord in de boekhouding.

Daarmee ontbrak de grondslag voor de ontnemingsvordering en wees de rechtbank de vordering af. De onderneming werd tevens vrijgesproken in de hoofdzaak. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige economische strafkamer op 6 december 2021.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af en spreekt de onderneming vrij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-846012-17 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 december 2021
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen
[naam BV 1] ,
Gevestigd op het adres [adres]

1.Het onderzoek op de terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officieren van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 21 en 28 september 2021, 7 en 11 oktober 2021 en 6 december 2021 (sluiting). [naam BV 1] (hierna: [naam BV 1] ) werd bij de behandeling van de strafzaak vertegenwoordigd door haar bestuurder [naam] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. L. van Haeringen en mr. R.S. Mackor (hierna: officier van justitie) en van wat de vertegenwoordiger van [naam BV 1] en haar advocaten mr. C.P. Posthuma en mr. W.J.W. van Eijk naar voren hebben gebracht.

2.De vordering en het procesverloop

Op 25 juni 2019 is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt betreffende “ [naam BV 1] en [naam BV 2] ”. Gesteld wordt dat er door [naam BV 1] en [naam BV 2] (hierna: [naam BV 2] ) wederrechtelijk voordeel is genoten door een hoeveelheid dierlijke mest van respectievelijk 2.317 en 3.935 ton illegaal op het land te gebruiken. Voor de berekening is uitgegaan van illegaal gecreëerde fosfaatruimte, ontstaan door de afvoer van digestaat als zijnde dierlijke mest. Door de genoemde hoeveelheden niet op legale wijze af te voeren is voordeel behaald bestaande uit bespaarde kosten, zijnde € 20,- per ton. Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor [naam BV 1] wordt op € 46.340,- en voor [naam BV 2] op € 78.700,- berekend.
Op 12 juni 2020 is namens [naam BV 1] een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft op 29 juli 2020 schriftelijk gerepliceerd en namens [naam BV 1] is op 1 oktober 2020 een conclusie van dupliek ingediend.
De vordering van de officier van justitie van 16 oktober 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [naam BV 1] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 46.340,-.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gehandhaafd.

3.Beoordeling

In de hoofdzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet bewezen is dat de afvoer van de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen niet steeds in de boekhouding van [naam BV 1] kon worden verantwoord. Niet vast is komen te staan dat illegaal gecreëerde fosfaatruimte door [naam BV 1] wederrechtelijk werd benut. Daarmee is de grondslag van de ontnemingsvordering komen te vervallen zodat de rechtbank deze zal afwijzen.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de volgende beslissing.
Wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.J. Koene, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en F.W. Pieters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2021.