De rechtbank Amsterdam heeft op 3 maart 2021 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder was veroordeeld voor het overtreden van een beroepsverbod. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof een bedrag van oorspronkelijk €104.250, dat later werd bijgesteld naar €89.250. Dit bedrag vertegenwoordigt het voordeel dat verdachte zou hebben verkregen door het overtreden van het beroepsverbod.
Tijdens de terechtzitting op 17 februari 2021 werd de vordering besproken, waarbij de rechtbank kennisnam van de argumenten van zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging. De verdediging betwistte het wederrechtelijk karakter van het voordeel en stelde onder meer dat kosten in verband met behandelingen en een schadevergoedingsmaatregel in mindering gebracht moesten worden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte inderdaad voordeel heeft verkregen door het overtreden van het beroepsverbod, maar dat bepaalde posten, zoals opleidingskosten, niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel behoren. Uiteindelijk werd het voordeel vastgesteld op €88.500. De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde een gijzelingsduur van maximaal drie jaar bij niet-betaling.