Op 21 januari 2018 vond een vechtpartij plaats op het Rembrandtplein in Amsterdam waarbij de benadeelde partij werd aangevallen door meerdere personen. Verdachte werd ervan beschuldigd zware mishandeling, poging tot zware mishandeling en openlijk geweld te hebben gepleegd.
De rechtbank stelde vast dat onvoldoende bewijs bestond om verdachte te verbinden aan de fatale klap die het letsel veroorzaakte, waardoor hij werd vrijgesproken van zware mishandeling en poging daartoe. Wel werd bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd door met zijn vuist een slaande beweging te maken richting het slachtoffer tijdens de vechtpartij.
Het beroep op noodweer werd verworpen omdat verdachte de confrontatie opzocht en geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding meer bestond toen hij terugliep naar het slachtoffer. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op met een proeftijd van één jaar, rekening houdend met de ernst van het feit en het tijdsverloop van de procedure.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: materiële schade en een deel van de immateriële schade werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing, maar een immateriële schadevergoeding van €1.500 werd toegekend met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot betaling van deze vergoeding en legde een schadevergoedingsmaatregel op, met de mogelijkheid van gijzeling bij niet-betaling.