De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 januari 2022 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. De opgeëiste persoon wordt verdacht van witwassen, informatiecriminaliteit en oplichting, strafbare feiten volgens Belgisch recht waarvoor een gevangenisstraf van minimaal drie jaar staat.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was vastgesteld en dat de strafbare feiten voorkomen op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. Tevens werd een terugkeergarantie gegeven door de Belgische autoriteiten, die toezegden dat de opgeëiste persoon na onherroepelijke veroordeling in België naar Nederland zal worden overgebracht om daar de straf te ondergaan.
De rechtbank beoordeelde de detentieomstandigheden in België aan de hand van eerdere uitspraken en een brief van de Belgische autoriteiten waarin garanties werden gegeven dat de opgeëiste persoon niet zal worden ondergebracht in penitentiaire inrichtingen met onmenselijke omstandigheden, zoals onvoldoende celruimte of niet-afgeschermde sanitaire voorzieningen. Hiermee werd het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling weggenomen.
Gelet op het voldoen aan de formele eisen van de Overleveringswet, het ontbreken van weigeringsgronden en de voldoende waarborgen omtrent detentie en terugkeer, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.