ECLI:NL:RBAMS:2022:1056
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.L.C.M. Ficq
- R.C.J. Hamming
- I. Timmermans
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bewegen minderjarigen getuige te zijn van seksuele handelingen
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het bewegen van minderjarigen tot het getuige zijn van seksuele handelingen op 26 juni 2021. Verdachte zou zijn geslachtsdeel hebben getoond aan twee minderjarige meisjes waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij jonger dan zestien waren.
De officier van justitie vorderde een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, terwijl de verdediging betoogde dat het verhoor bij de politie onrechtmatig was omdat verdachte kwetsbaar was en geen advocaat had toegewezen gekregen. Verdachte ontkende de tenlastelegging en stelde dat zijn verklaring op zitting lijnrecht tegenover die van de minderjarigen stond.
De rechtbank stelde vast dat verdachte zijn geslachtsdeel had getoond en zelfs vastgehouden, maar oordeelde dat dit niet volstond om te spreken van het bewegen van minderjarigen tot getuige zijn van seksuele handelingen. Actieve handelingen gericht op het confronteren met concrete seksuele handelingen ontbraken. Hoewel sprake was van een sociaal-ethische grensoverschrijding, was het bewijs onvoldoende voor het tenlastegelegde. De rechtbank sprak verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken omdat het enkel tonen van het geslachtsdeel onvoldoende bewijs was voor het bewegen van minderjarigen tot getuige zijn van seksuele handelingen.