De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van een reder tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om exploitatievergunningen voor passagiersvaart van onbepaalde tijd om te zetten in vergunningen voor bepaalde tijd. Dit besluit maakte onderdeel uit van een breder volumebeleid gericht op het verbeteren van de leefbaarheid in de stad.
De rechtbank overwoog dat het college voldoende rekening had gehouden met de belangen van de zittende vergunninghouders en hun personeel, evenals met de rechten van nieuwe toetreders, conform het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Alternatieven voor het volumebeleid waren besproken en afgewogen, waarbij het lotingssysteem voor nieuwe vergunningen buiten het bestreden besluit viel.
De overgangstermijn die het college hanteerde werd niet als onredelijk beoordeeld, ook niet in het individuele geval van eiser die stelde dat zijn pensioenvoorziening in gevaar kwam. De rechtbank stelde dat een exploitatievergunning geen pensioenvoorziening is en dat ondernemersrisico’s niet volledig door het college hoeven te worden gecompenseerd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.