De vennootschap onder firma Amsterdam Sloep Huur heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om haar exploitatievergunning voor het vaartuig om te zetten van onbepaalde tijd naar een vergunning voor bepaalde tijd met einddatum 1 maart 2024.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met andere beroepen van Amsterdamse reders die soortgelijke vergunningen hadden. De gezamenlijke gronden zijn in een eerdere uitspraak behandeld en de omzetting is niet in strijd met geschreven of ongeschreven recht bevonden.
In deze uitspraak heeft de rechtbank de individuele gronden van eiseres beoordeeld, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, verbod op misbruik van bevoegdheid en belangenafweging. De rechtbank oordeelt dat de uitlatingen van het college geen toezeggingen zijn en dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Ook is geen sprake van ongelijke behandeling of misbruik van bevoegdheid.
De rechtbank acht de belangenafweging van het college deugdelijk en vindt de overgangstermijn tot 2024 niet onredelijk. De stelling van eiseres dat zij door de omzetting in ernstige financiële problemen komt, is onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.