Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil in conventie
4.Het geschil in reconventie
5.De beoordeling in conventie en in reconventie
Conventie
1.016,00
Rechtbank Amsterdam
Na een brand in oktober 2019 werd een pand met twee appartementen herbouwd op basis van een aannemingsovereenkomst van augustus 2020. De aannemer vorderde betaling van openstaande facturen, maar de VvE en eigenaren betwistten deze vorderingen en stelden dat de aannemer tekort was geschoten in de nakoming, met onder meer vertraging en niet geleverd werk.
De rechter oordeelde dat de vordering van de aannemer niet toewijsbaar was vanwege onduidelijkheid over de facturen en gemotiveerde betwisting door de VvE c.s. Daarnaast werd vastgesteld dat de VvE c.s. al grote bedragen had betaald en dat zij niet in verzuim was. Het deskundigenrapport bevestigde dat er nog aanzienlijke werkzaamheden moesten worden verricht.
In reconventie werd de aannemer veroordeeld om het werk binnen drie werkdagen te hervatten en binnen twee maanden op te leveren, conform goed en deugdelijk werk. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van deze verplichting. De proceskosten werden aan de zijde van de aannemer toegewezen.
Uitkomst: Vordering betaling facturen afgewezen; aannemer veroordeeld tot hervatting en oplevering binnen redelijke termijn met dwangsom.