ECLI:NL:RBAMS:2022:1441
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing WIA-uitkering wegens vermoedelijke zelfstandige werkzaamheden
Verzoeker ontvangt sinds november 2018 een WIA-uitkering op grond van volledige arbeidsongeschiktheid. In augustus 2021 ontving het UWV een melding dat verzoeker mogelijk als zelfstandig ondernemer werkzaam was tijdens de uitkeringsperiode. Dit leidde tot een onderzoek, waarvan de resultaten in een rapport zijn vastgelegd. Het onderzoek toonde aan dat verzoeker sinds 2002 als zelfstandige was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en aanzienlijke subsidies ontving via regelingen als NOW, TVL en TOZO, zonder dit aan het UWV te melden.
Verweerder schortte daarom per 1 januari 2022 de WIA-uitkering op omdat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Verzoeker betoogde dat zijn zoon de regie had over zijn eenmanszaak en dat de onderneming per 22 december 2021 was opgeheven. Hij ontkende werkzaamheden en inkomsten naast de uitkering en stelde spoedeisend belang te hebben bij de voorziening vanwege het ontbreken van inkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht artikel 67, tweede lid, Wet WIA heeft toegepast. Het onderzoeksrapport bevatte voldoende concrete aanwijzingen dat verzoeker als zelfstandige heeft gewerkt en inkomsten heeft genoten zonder dit te melden. Het betoog van verzoeker werd niet gevolgd, mede omdat zijn zoon verklaarde geen contact te hebben met verzoeker en verzoeker zelf aanvragen voor subsidies had ingediend.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden en zag geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de WIA-uitkering wordt afgewezen.