De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde op 17 augustus 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser omdat er geen parkeerbelasting was betaald terwijl zijn auto geparkeerd stond op een locatie in Amsterdam. Eiser voerde aan dat hij zich voldoende had ingespannen om te betalen via een parkeerapp en daarna via de bezoekersvergunning van zijn zwager, die echter niet over voldoende saldo beschikte om de parkeersessie te starten.
De rechtbank oordeelde dat het niet starten van de parkeersessie een ongelukkige omstandigheid is, maar dat dit niet aan de heffingsambtenaar kan worden toegerekend. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor voldoende saldo. De objectieve aard van de parkeerbelasting betekent dat de intentie van eiser om te betalen niet relevant is; de belasting is verschuldigd indien niet betaald.
Daarom is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter K. Oldekamp-Bakker op 28 maart 2022.