Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[verzoeker],
mr. C. Stroobach, [kantooradres],
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker werd op 23 september 2016 staande gehouden op verdenking van het rijden zonder rijbewijs. De strafzaak werd onvoorwaardelijk geseponeerd op 21 mei 2021. Verzoeker diende binnen drie maanden na beëindiging van de zaak een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten van zijn raadsvrouw en kosten van het verzoekschrift.
De rechtbank beoordeelde het verzoek en stelde vast dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen, aangezien verzoeker zich niet heeft kunnen verdedigen tegen de verdenking. De rechtbank matigde de gevraagde kosten van de raadsvrouw wegens bovenmatige uren, met name werkzaamheden uit 2018 die mogelijk betrekking hadden op andere zaken.
De rechtbank kende een vergoeding toe van €720,- voor de kosten van de raadsvrouw en €680,- voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift. Verrekening met openstaande boetes vond geen plaats omdat er geen verschuldigde geldsommen uit strafzaken of strafbeschikkingen waren. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.
Uitkomst: Rechtbank kent gedeeltelijke vergoeding toe van €1.400,- voor kosten raadsvrouw en verzoekschrift na onvoorwaardelijk sepot.