ECLI:NL:RBAMS:2022:159

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2022
Publicatiedatum
18 januari 2022
Zaaknummer
AW21_4971
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek inzake mondkapjesdeal

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiseres had op 31 mei 2021 een Wob-verzoek ingediend met betrekking tot de mondkapjesovereenkomst. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, aangezien verweerder niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken op het verzoek heeft gereageerd. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en is vervolgens op 11 oktober 2021 in beroep gegaan.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank draagt verweerder op om binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Tevens wordt er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook bepaald dat het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres moet worden vergoed. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, en is openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4971

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

(gemachtigde: E.T. Verwiel),
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Goossens).

Procesverloop

Eiseres heeft met de brief van 7 oktober 2021, door de rechtbank ontvangen op 11 oktober 2021, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Eiseres heeft met de brief van 31 mei 2021 het Wob-verzoek ingediend. Hierin verzoekt zij om openbaarmaking van alle informatie over de mondkapjesovereenkomst van verweerder en [de persoon] . De rechtbank overweegt dat verweerder binnen vier weken op het Wob-verzoek moet beslissen, tenzij verweerder binnen die termijn aangeeft dat meer tijd nodig is om te beslissen op het verzoek. [3] In dat geval kan de termijn met vier weken worden verlengd. [4] Met de brief van 2 juni 2021 heeft verweerder de ontvangst van het verzoek op 1 juni 2021 bevestigd. In dezelfde brief heeft verweerder de behandeltermijn met vier weken verlengd. Dat betekent dat verweerder in beginsel uiterlijk op 26 juli 2021 op het verzoek had moeten reageren. Verweerder heeft dat niet gedaan. Met de brief van 4 augustus 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op 11 oktober 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
4. De rechtbank stelt, met partijen, vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.
5. Het beroep is dus gegrond.
6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [5] In het verweerschrift van 3 september 2021 heeft verweerder gesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die met het coronavirus verband houden, waardoor moet worden afgeweken van de termijn van twee weken. Verweerder draagt hiervoor aan dat het niet mogelijk is om tijdig en adequaat te reageren op alle Wob-verzoeken over corona als gevolg van het grote aantal verzoeken, het grote aantal documenten en de omstandigheid dat het ministerie zich in een crisissituatie bevond. Daarom heeft verweerder besloten tot een gefaseerde aanpak die hij in het verweerschrift nader heeft toegelicht. Verweerder heeft besloten om de documenten waarom eiseres heeft verzocht door middel van deelbesluiten bekend te maken. Volgens verweerder heeft het verzoek van eiseres betrekking op de periode maart tot en met juni 2020. Verweerder heeft het verzoek verder ingedeeld in de categorieën ‘medische hulpmiddelen’ en ‘overleggen VWS’. Naar schatting vallen er ongeveer 321 documenten onder de reikwijdte van het verzoek. Hoewel het om een specifiek verzoek gaat is volgens verweerder de informatie niet eenvoudig te ontsluiten omdat die is verdeeld over een groot aantal terreinen. Verweerder heeft in het verweerschrift een overzicht gegeven van haar planning. Hij verwacht in mei 2022 met het nemen van het laatste deelbesluit volledig op het Wob-verzoek van eiseres te hebben beslist. Verweerder verzoekt de rechtbank om daarmee bij het vaststellen van de termijn voor het nemen van alle deelbesluiten op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb rekening te houden.
7. In reactie op het verweer heeft eiseres de rechtbank verzocht om de nadere termijn op twee weken te stellen. Niet valt in te zien waarom het verzoek niet op traditionele wijze kan worden afgedaan, gezien de relatieve omvang van het verzoek, de omstandigheid dat het verzoek is toegesneden op een korte periode en dat sprake is van een beperkt aantal derde- belanghebbenden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die door eiseres zijn opgeworpen zwaarwegend zijn in de belangenafweging. De rechtbank volgt eiseres daarom in haar standpunt dat verweerder het verzoek van eiseres op traditionele wijze had moeten afdoen. Daarnaast heeft eiseres een journalistiek belang om alle verzochte informatie in één keer te ontvangen. De rechtbank heeft ook oog voor het belang van verweerder om zorgvuldig te zijn in de procedure. Daarom stelt de rechtbank een nadere termijn van vier weken na de datum van deze uitspraak, om volledig te beslissen op de aanvraag.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt verweerder op binnen
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 6, eerste lid, van de Wob.
4.Artikel 6, tweede lid, van de Wob.
5.artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb