Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-uitkering, welke door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) is afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat eiser in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De Svb heeft uitgebreid onderzoek gedaan bij diverse instanties, waaronder gemeenten, pensioenfondsen en het schakelregister, maar vond geen bewijs van verblijf of arbeid van eiser in Nederland.
Eiser stelde dat hij tussen 1977 en 1980 in Nederland heeft gewerkt en kinderbijslag heeft ontvangen, maar kon dit niet onderbouwen met documenten. De rechtbank oordeelde dat de Svb voldoende en zorgvuldig onderzoek had verricht en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om zijn stelling te ondersteunen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en is de afwijzing van de AOW-uitkering bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.