ECLI:NL:RBAMS:2022:1719

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
1 april 2022
Zaaknummer
13/751463-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 15 KaderbesluitArt. 28 KaderbesluitArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende toestemming tot verdere tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van Polen om aanvullende toestemming te verlenen voor de verdere tenuitvoerlegging van drie gevangenisstraffen opgelegd aan de overgeleverde persoon. Deze verzoeken betroffen vonnissen uit 2004, 2006 en 2006, elk met een gevangenisstraf van twee jaar.

Na een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het recht van de overgeleverde persoon om gehoord te worden, onderzocht de rechtbank of de overgeleverde persoon daadwerkelijk de mogelijkheid had gekregen om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken. Hoewel een verhoor in Polen had plaatsgevonden, was de overgeleverde persoon niet bijgestaan door een advocaat en was hij niet verschenen op een later geplande zitting, omdat hij niet op de hoogte was van de datum. Tevens was zijn verblijfplaats onbekend.

De rechtbank concludeerde dat niet kon worden vastgesteld dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid had gehad om zijn standpunt kenbaar te maken. Gezien de overschrijding van de beslistermijn besloot de rechtbank het verzoek af te wijzen, met de mogelijkheid voor Polen om een nieuw verzoek in te dienen zodra aan de voorwaarden is voldaan.

Uitkomst: Het verzoek tot aanvullende toestemming voor verdere tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen wordt afgewezen wegens het ontbreken van feitelijke mogelijkheid tot verweer van de overgeleverde persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751463-21
RK nummer: 21/2324
Datum uitspraak: 25 januari 2022
BESLISSING OP VERZOEK AANVULLENDE TOESTEMMING
op het verzoek om toestemming te verlenen, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, Overleveringswet (OLW). Dit verzoek is ingediend door
the Circuit Court in Lodz(Polen) op 31 maart 2020 en betreft de uitbreiding van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen inzake:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1967
thans onbekend waar de overgeleverde persoon verblijft
hierna te noemen de overgeleverde persoon.

1.Procesgang

Het verzoek is behandeld in de meervoudige raadkamer op 27 mei 2021, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Bij beslissing van 10 juni 2021 is het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden omdat de rechtbank meer tijd nodig heeft om zich te beraden op de beslissing in deze zaak.
Bij tussenbeslissing in de soortgelijke zaak [naam] van 14 juli 2021 [1] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: Hof van Justitie).
Het Hof van Justitie heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan [2] .

2.Grondslag van het verzoek

In het verzoek wordt melding gemaakt van een drietal in Polen ten uitvoer te leggen vonnissen:
* VII K 838/03 is gewezen op 25 juni 2004 door
the District Court for Warszawa-Srodmiescie in Warsawwaarin de overgeleverde persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar;
* III K 653/05 is gewezen op 20 januari 2006 door
the District Court for Lodz Widzew in Lodzwaarin de overgeleverde persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar;
* IV K 311/06 is gewezen op 15 december 2006 door
the Disrict Court for Warszawa - Zoliborz in Warsawwaarin de overgeleverde persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar.
De feiten zijn omschreven in onderdeel III van het verzoek.

3.Prejudiciële procedure

Bij voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie van 26 oktober 2021 is onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende geoordeeld.
Uit het feit dat het Kaderbesluit de overgeleverde persoon niet uitdrukkelijk het recht toekent om te worden gehoord in het kader van een verzoek tot verdere overlevering of aanvullende toestemming kan in geen geval worden afgeleid dat dit grondrecht in dergelijke omstandigheden aan die persoon zou worden onthouden.
Het is aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om te beoordelen of wordt ingestemd met verdere overlevering en daaruit volgt dat de overgeleverde persoon door de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet worden gehoord.
Dit betekent niet dat de overgeleverde persoon het recht heeft om persoonlijk voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verschijnen, maar wel dat hij feitelijk de mogelijkheid moet hebben gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om toestemming voor verdere overlevering kenbaar te maken.
Gelet op het aan het Kaderbesluit ten grondslag liggende vereiste van voortvarendheid, kan het recht om door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord concreet worden uitgeoefend in de uitvaardigende lidstaat, waarin de overgeleverde persoon zich bevindt, zonder dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rechtstreeks deelneemt. De overgeleverde persoon kan zijn standpunt kenbaar maken aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Indien dit standpunt in een proces-verbaal is opgenomen en vervolgens door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt meegedeeld, moet het, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen, in beginsel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden geacht door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit met inachtneming van de vereisten van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te zijn verkregen.
Mocht de uitvoerende rechterlijke autoriteit vervolgens van oordeel zijn dat zij niet over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken - en met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de betrokkene - een beslissing te kunnen nemen over het desbetreffende verzoek tot toestemming, moet zij, naar analogie, artikel 15, tweede lid, van het Kaderbesluit toepassen en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend verzoeken om aanvullende gegevens over het standpunt van de overgeleverde persoon. Hierbij dienen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit erop toe te zien dat een dergelijk verzoek om aanvullende gegevens en de uitvoering ervan geen afbreuk doen aan de doelstelling van het Kaderbesluit om de overleveringsprocedures te vergemakkelijken en te bespoedigen, en, meer in het bijzonder, dat de beslissing over het verzoek tot toestemming door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan worden genomen binnen de in artikel 28, derde lid, onder c), van het Kaderbesluit vastgestelde termijn van dertig dagen.

4.Verhoor overgeleverde persoon in Polen

De overgeleverde persoon is op 2 april 2019 in verband met het verzoek tot aanvullende tenuitvoerlegging gehoord op de zitting
van The District Court in Pabianice(Polen) en heeft verklaard dat hij niet instemt met de tenuitvoerlegging van de bij voornoemde vonnissen opgelegde gevangenisstraffen.
Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon bij voornoemd verhoor is bijgestaan door een advocaat.

5.Beoordeling verzoek

Inleiding
In deze zaak heeft de rechtbank op 20 december 2021 het Internationaal Rechtshulpcentrum (hierna: IRC) verzocht om de Poolse autoriteiten te vragen om:
- de overgeleverde persoon alsnog feitelijk de mogelijkheid te geven al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken (vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63) en
- de schriftelijke verslaglegging daarvan aan de rechtbank te doen toekomen.
Op 22 december 2021 heeft het IRC bericht dat zij van de Poolse autoriteiten hebben vernomen dat er een zitting staat gepland op 12 januari 2022. Tijdens deze zitting zal de overgeleverde de mogelijkheid worden gegeven al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Op 17 januari 2022 is door de Poolse autoriteiten meegedeeld dat de overgeleverde persoon niet is verschenen op voornoemde zitting van 12 januari 2022, omdat hij niet op de hoogte was van de zittingsdatum. De opgeëiste persoon is niet gedetineerd en de Poolse autoriteiten weten niet waar hij zich op dit moment bevindt. Ten slotte merkt de Poolse autoriteit op dat het bij de Poolse rechtbank bekende adres van de overgeleverde niet is gelinkt aan het adres in het Poolse bevolkingsregister.
Oordeel
De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment niet kan worden vastgesteld dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken, zoals bepaald in eerder genoemde uitspraak van het Hof van Justitie van 26 oktober 2021.
Gelet op de geldende beslistermijn – die al is overschreden – dient de beslissing op het verzoek niet (nog) langer te worden aangehouden.
De rechtbank merkt hierbij op dat dit onverlet laat dat de Poolse autoriteiten desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kunnen doen, zodra zij kunnen aantonen dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken.

6.Slotsom

Nu niet is gebleken dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek kenbaar te maken, zal het verzoek worden afgewezen.

7.Beslissing

WIJST AFhet verzoek om toestemming van
the Circuit Court in Lodz(Polen) voor de verdere tenuitvoerlegging van de aan
[opgeëiste persoon]opgelegde vrijheidsstraffen.
Deze beslissing is genomen op 25 januari 2022 door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon griffier.

Voetnoten

2.Gevoegde zaken C-428/21 PPU (