De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 februari 2022 de vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Münster. De verdachte, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, wordt verdacht van georganiseerde diefstal, een strafbaar feit volgens Duits recht met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte juist was en dat de strafbare feiten zijn opgenomen in de lijst van bijlage I bij de Overleveringswet (OLW), waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Een garantie van de Duitse autoriteiten werd aanvaard dat een eventuele opgelegde vrijheidsstraf in Nederland kan worden uitgezeten.
De verdediging verzocht om overname van de strafvervolging in Nederland, stellende dat de verdachte hier geworteld is en er geen vluchtgevaar bestaat. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat de vervolging in Duitsland moet plaatsvinden en dat de OLW geen bevoegdheid aan de Nederlandse rechter geeft om de vervolging over te nemen.
Het onschuldverweer van de verdachte werd verworpen omdat dit niet tijdens het verhoor was aangetoond. Gezien het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.