ECLI:NL:RBAMS:2022:1773

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
AMS 22/595 en AMS 22/596
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om omzetting parkeervergunning na verhuizing

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoeker die zijn parkeervergunning voor bedrijven wilde omzetten naar een parkeervergunning voor bewoners na een verhuizing. Verzoeker had op 29 oktober 2021 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, maar dit verzoek werd afgewezen. Het bezwaar dat verzoeker hiertegen indiende, werd op 26 januari 2022 ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde en om een voorlopige voorziening vroeg. Tijdens de zitting op 1 maart 2022 was verzoeker aanwezig, terwijl de gemeente werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

De voorzieningenrechter concludeerde na de zitting dat nader onderzoek niet nodig was en deed uitspraak op basis van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker had een parkeervergunning voor bedrijven op zijn oude adres, maar na de verhuizing naar een kleinere woning met een garage, voldeed hij niet meer aan de voorwaarden voor de vergunning. De gemeente had vastgesteld dat verzoeker over een garage beschikte en dat hij niet voldeed aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013. De voorzieningenrechter oordeelde dat de afwijzing van de aanvraag voor de parkeervergunning terecht was, omdat verzoeker niet aan de voorwaarden voldeed, ondanks dat zijn auto te groot was voor de garage.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht opgelegd. De uitspraak werd openbaar gedaan op 10 maart 2022.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/596 (voorlopige voorziening ) en AMS 22/595 (beroep )
Uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen
[naam], te Amsterdam, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: mr. D. de Vries ) .

Procesverloop

In het besluit van 29 oktober 2021 (het primaire besluit ) heeft verweerder de door verzoeker gevraagde omzetting van een parkeervergunning afgewezen.
Het hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaar heeft verweerder met het besluit van
26 januari 2022 (het bestreden besluit ) ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 1 maart 2022. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2. Verzoeker beschikte in Amsterdam op het adres [adres 1] over een parkeervergunning voor bedrijven. Vervolgens is verzoeker met zijn echtgenote verhuisd naar een kleinere woning op het adres [adres 2] te Amsterdam. Deze woning, gelegen in het vergunninggebied Zuidoost-4 (vergunninggebied ) beschikt over een garage. Bij brief van 30 september 2021 heeft verweerder gegevens opgevraagd bij verzoeker. Verweerder wil toetsen of ook na de verhuizing wordt voldaan aan de voorwaarden voor een parkeervergunning voor bedrijven. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker verweerder op 6 oktober 2021 gevraagd om zijn parkeervergunning voor bedrijven om te zetten naar een parkeervergunning voor bewoners. Dit verzoek heeft verweerder met het primaire besluit afgewezen en gehandhaafd in het bestreden besluit.
3. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Amsterdam die aan de parkeervergunning zijn verbonden. Eén van de daarin genoemde voorwaarden is het niet kunnen beschikken over een eigen parkeergelegenheid. Verder wordt het aantal stallingsplaatsen waar bewoners over kunnen beschikken afgetrokken van het maximum aantal te verlenen parkeervergunningen in een vergunninggebied. In het geval van verzoeker worden maximaal twee parkeervergunningen per adres verleend als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker over één auto beschikt en dat op [adres 2] één garage beschikbaar is. Verzoeker heeft dus volgens de geldende regels geen recht op een parkeervergunning. De omstandigheid dat de huidige auto van verzoeker te groot is voor deze garage doet hier niet aan af. De auto is bovengemiddeld groot. Dat de auto niet past in de garage is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Volgens gegevens uit het Kadaster is verzoeker eigenaar van meerdere woningen en garages in het vergunninggebied. Verzoeker kan dus op meerdere plekken in het vergunninggebied zijn auto stallen. In het aangevoerde heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft daarom terecht de aanvraag van verzoeker voor een parkeervergunning afgewezen.
Conclusie
5.1
Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
5.2
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep met zaaknummer AMS 22/595 ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AMS 22/596 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.