ECLI:NL:RBAMS:2022:1773
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om omzetting parkeervergunning na verhuizing
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoeker die zijn parkeervergunning voor bedrijven wilde omzetten naar een parkeervergunning voor bewoners na een verhuizing. Verzoeker had op 29 oktober 2021 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, maar dit verzoek werd afgewezen. Het bezwaar dat verzoeker hiertegen indiende, werd op 26 januari 2022 ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde en om een voorlopige voorziening vroeg. Tijdens de zitting op 1 maart 2022 was verzoeker aanwezig, terwijl de gemeente werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
De voorzieningenrechter concludeerde na de zitting dat nader onderzoek niet nodig was en deed uitspraak op basis van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker had een parkeervergunning voor bedrijven op zijn oude adres, maar na de verhuizing naar een kleinere woning met een garage, voldeed hij niet meer aan de voorwaarden voor de vergunning. De gemeente had vastgesteld dat verzoeker over een garage beschikte en dat hij niet voldeed aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013. De voorzieningenrechter oordeelde dat de afwijzing van de aanvraag voor de parkeervergunning terecht was, omdat verzoeker niet aan de voorwaarden voldeed, ondanks dat zijn auto te groot was voor de garage.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht opgelegd. De uitspraak werd openbaar gedaan op 10 maart 2022.