Op 23 december 2021 werd bij een loods in Amsterdam een drugslab aangetroffen waar 766 gram methamfetamine aanwezig was. Verdachte had deze loods verhuurd en stelde deze ter beschikking aan anderen die het lab exploiteerden. Hoewel verdachte ontkende kennis te hebben van de drugs, oordeelde de rechtbank dat hij voorwaardelijk opzet had en medepleegde bij het voorbereiden van het bereiden van methamfetamine.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van verdachte, het onderzoek van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen en de aanwezigheid van diverse chemische stoffen en apparatuur in de loods. Verdachte had wetenschap van en beschikkingsmacht over de middelen die bestemd waren voor het drugslab.
De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De verdediging pleitte voor een lagere straf vanwege de verslavingsproblematiek van verdachte en zijn motivatie tot afkicken. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, rekening houdend met de ernst van het delict en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank oordeelde dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het afkickproces zou belemmeren en gaf verdachte de kans om zijn leven te beteren. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. Daarnaast werden telefoons teruggegeven en een gasmasker in bewaring gesteld voor de rechthebbende.