Uitspraak
locatie Amsterdam, hierna te noemen: de Raad.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen ouders die gezamenlijk gezag uitoefenen over hun minderjarige kind, waarbij de moeder verzocht om vervangende toestemming voor verhuizing van het kind naar Zweden en wijziging van de hoofdverblijfplaats. De vader verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving van het kind op een Nederlandse basisschool.
Partijen hadden eerder afgesproken dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader zou zijn, wat ook werd bevestigd in een procedure in Zweden. De moeder woont inmiddels in Zweden en wenst het kind mee te nemen, terwijl de vader bezwaar maakt vanwege het belang van het kind om in Nederland te blijven wonen en contact te houden met beide ouders.
De rechtbank weegt alle omstandigheden en concludeert dat de moeder geen noodzaak heeft aangetoond voor verhuizing en dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van het kind is. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat de vader tekortschiet in de zorg. De Raad voor de Kinderbescherming uitte zorgen over het gedrag van het kind en de omgangsregeling. De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind en de vader prevaleert en wijst het verzoek van de moeder af.
Daarnaast verleent de rechtbank de vader vervangende toestemming om het kind in te schrijven op de Montessorischool in Nederland, omdat dit in het belang van het kind is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen worden geadviseerd een nieuwe zorgregeling via mediation te treffen.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats naar Zweden wordt afgewezen en de vader krijgt vervangende toestemming voor inschrijving van het kind op een Nederlandse basisschool.