ECLI:NL:RBAMS:2022:208

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
13.751625-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 3 sub a UitleveringswetArt. 38 lid 3 sub b UitleveringswetArt. 55a UitleveringswetArt. 66a Wetboek van StrafvorderingArt. 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot gevangenneming in uitleveringszaak wegens verlenging gevangenhouding buiten termijn

Op 17 november 2021 verklaarde de rechtbank Amsterdam de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar. De gevangenhouding werd op 10 december 2021 met 30 dagen verlengd en opnieuw op 12 januari 2022. De officier van justitie stelde dat deze verlenging terecht was omdat de uitspraak minder dan dertig dagen daarvoor onherroepelijk was geworden. De verdediging betoogde dat de termijn van 'minder dan dertig dagen' strikt in volle dagen moet worden gerekend, waardoor de verlenging op 12 januari onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat minder dan dertig dagen betekent maximaal 29 volle perioden van 24 uur en dat de verlenging op 12 januari buiten deze termijn viel. Hierdoor was die verlenging zonder wettelijke basis. De gevangenhouding liep echter nog tot en met 16 januari 2022, zodat de opgeëiste persoon rechtmatig vastzat tot die datum.

De minister had op 14 januari 2022 de beslissing over uitlevering aangehouden, waardoor een verlenging op grond van artikel 38 lid 3 sub b UW Pro mogelijk was. De officier van justitie verzuimde tijdig een verlenging op die grond te vorderen, maar vroeg spoedig gevangenneming ex art. 55a UW jo. art. 66a Sv. De rechtbank achtte de voorwaarden voor uitleveringsdetentie vervuld en besloot tot een bevel tot gevangenneming voor 30 dagen.

De uitspraak werd gedaan door rechter C. Huizing-Bruil in aanwezigheid van griffier C. van den Berg op 18 januari 2022.

Uitkomst: De rechtbank beveelt gevangenneming van de opgeëiste persoon voor 30 dagen wegens rechtmatige uitleveringsdetentie ondanks onrechtmatige verlenging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

BEVEL GEVANGENNEMING

Parketnummer: 13.751625-21
RK nr.: 21/4666
Op 17 januari 2022 heeft er een ambtshalve toetsing van het bevel gevangenhouding van 12 januari 2022 plaatsgevonden in het arrondissement Amsterdam van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en van Amerikaanse nationaliteit
nu verblijvende in “ [detentieplaats]
De autoriteiten van Verenigde Staten hebben om uitlevering van deze opgeëiste persoon verzocht. Bij uitspraak van 17 november 2021 heeft de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaard. Het bevel gevangenhouding is op 10 december 2022 met 30 dagen verlengd. Op 12 januari 2022 heeft de rechtbank dat bevel gevangenhouding opnieuw met 30 dagen verlengd.
Op 17 januari 2022 zijn in raadkamer gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de gevangenhouding op 12 januari 2022 terecht met 30 dagen heeft verlengd, omdat de rechterlijke uitspraak over het uitleveringsverzoek op dat moment minder dan 30 dagen tevoren in kracht van gewijsde was gegaan conform artikel 38 lid 3 sub a Uitleveringswet Pro (UW – de a-grond). Er waren ten tijde van de verlenging van het bevel gevangenhouding op 12 januari 2022 immers pas 29 dagen en een aantal uren verstreken sinds de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden door de intrekking van het cassatieberoep op 13 december 2022. Mr. Ramdhan heeft betoogd dat die verlenging ten onrechte is gedaan.
Uit de a-grond volgt dat verlenging op basis daarvan alleen mogelijk is als de rechterlijke uitspraak over het verzoek tot uitlevering minder dan dertig dagen tevoren, in kracht van gewijsde is gegaan. De vraag is of ‘minder dan 30 dagen’ betekent 29 dagen of alles minder dan 30 x 24 uren.
De rechtbank oordeelt dat minder dan dertig dagen inhoudt maximaal 29 dagen, oftewel 29 volle perioden van 24 uur. Ten eerste, omdat dit soort termijnen in de regel niet in losse uren of minuten wordt uitgedrukt. Een beslissing over gevangenhouding wordt bijvoorbeeld alleen van een datum en niet van een tijd voorzien, hetgeen impliceert dat enkel in dagen, dat wil zeggen volle perioden van 24 uur, wordt geteld.
Bovendien volgt dit ook uit de literatuur. De a-grond stelt de Minister van Justitie en Veiligheid na het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak “indirect op termijn (...) bij het nemen van de beslissing op het uitleveringsverzoek, wil deze althans voorkomen dat de persoon in vrijheid moet worden gesteld voordat hij zijn beslissing heeft genomen” (A.H.J. Swart,
Nederlands uitleveringsrecht, p. 525). De minister heeft dus “een termijn tot beslissen die kan variëren van een tot twee maanden, maar nooit meer dan negenvijftig dagen kan bedragen” (A.H.J. Swart,
Nederlands uitleveringsrecht, p. 474), behoudens aanhouding van zijn beslissing op grond van art. 33 lid 2 UW Pro. In dat geval kan op grond van art. 38 lid 3 onder Pro b UW ook verlenging van de uitleveringsdetentie worden bevolen (Swart, t.a.p.).
Nu het cassatieberoep op 13 december 2021 is ingetrokken, is de termijn uit de a-grond op 14 december 2021 gestart en op 11 januari 2022 geëindigd. De beslissing tot verlenging van de gevangenhouding op 12 januari 2022 is daarmee zonder wettelijke basis gegeven.
De officier van justitie heeft subsidiair op 17 januari 2022 gevangenneming gevorderd op grond van artikel 55a UW jo. artikel 66a Sv. Nu de beoordeling daarvan door een meervoudige kamer dient plaats te vinden, heeft de rechter de behandeling heropend en de raadsman en officier van justitie verzocht te bevestigen dat zij afstand doen van behandeling door een meervoudige kamer. Bij e-mail van 18 januari 2022 hebben beiden afstand gedaan van meervoudige behandeling.
De vraag is nu of de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon mag voortduren. De verlengingsbeslissing van 12 januari 2022 dient daarbij buiten beschouwing te worden gelaten. Dat verlenging toen niet mogelijk was, wil echter niet zeggen dat de opgeëiste persoon toen al in vrijheid had moeten worden gesteld.
Omdat de (op 10 december 2021 verlengde) gevangenhouding nog liep tot en met 16 januari 2022 zat de opgeëiste persoon rechtmatig vast tot en met die datum, behoudens tijdige verlenging. Dat laatste is niet gebeurd. Op zichzelf was er dus aanleiding om de gevangenhouding ambtshalve te beëindigen met ingang van 17 januari 2022.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft echter op 14 januari 2022 de beslissing over de uitlevering aangehouden om aanvullende vragen daarover te stellen aan de Verenigde Staten. Die vragen zijn dus gesteld voordat de gevangenhouding afliep. Vanaf 14 januari 2022 (aanhouding van de beslissing) tot en met 16 januari 2022 (de datum waarop de op 10 december 2021 verlengde gevangenhouding eindigde) was een vordering tot verlenging daarom mogelijk op grond van artikel 38 lid 3 sub b UW Pro.
De Officier van Justitie heeft echter verzuimd tijdig op die grond een vordering tot verlenging te doen, maar heeft wel spoedig de vordering ex art. 55a UW jo. art. 66a Sv gedaan. Die vordering voldoet aan de gestelde eisen. De voorwaarden voor toepassing van uitleveringsdetentie bestaan namelijk nog, nu er vluchtgevaar bestaat en de uitleveringsdetentie was bevolen terzake van verdenking van de misdrijven (naar Nederlands recht) uit artikel 140 lid 3 Sr Pro en artikel 11b OW. Daarop is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer gesteld.
Nu aan die voorwaarden is voldaan, zal de rechtbank de vordering gevangenneming voor de duur van 30 dagen toewijzen.
Gelet op de artikelen 38 en 55a van de Uitleveringswet, artikel 66a Wetboek van Strafvordering, artikel 140 Wetboek Pro van Strafrecht en artikel 11b Opiumwet.

BESLISSING:

Beveelt de gevangenneming van [opgeëiste persoon] voor de duur van dertig dagen.

Aldus gedaan in raadkamer van deze rechtbank op 18 januari 2022 door
mr. C. Huizing-Bruil, rechter
in tegenwoordigheid van C. van den Berg, griffier.