Op 3 mei 2021 constateerde een parkeercontroleur dat de auto van eiser zonder betaling geparkeerd stond aan een adres in Diemen. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag op gebaseerd op een vast dagtarief van € 25,-, ongeacht de duur van het parkeren.
Eiser stelde dat deze naheffing onrechtmatig was omdat zij niet kon worden herleid tot een uurtarief, wat in strijd zou zijn met artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet. De rechtbank overwoog dat volgens dit artikel de naheffing in principe moet worden berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling stond.
De rechtbank stelde vast dat de parkeerverordening Diemen 2020 en het Aanwijzingsbesluit een dagkaart als minimale afname van twaalf uur parkeerrecht voorschrijven, en dat de naheffingsaanslag was gebaseerd op dit dagtarief. Omdat de parkeertijd minder dan een uur was overschreden, mocht de naheffing volgens de wet slechts over een uur worden berekend. De naheffing op basis van het dagtarief was daarom onrechtmatig.
De heffingsambtenaar voerde subsidiair aan dat ook op basis van de werkelijke parkeerduur nageheven kon worden, maar de rechtbank verwierp dit omdat de parkeerverordening geen keuze voor deze methode bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de naheffingsaanslag en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.