Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] (Duitsland), eiser
Procesverloop
Overwegingen
22 september 2016 heeft hij zich ziek gemeld. Na afloop van de wachttijd heeft het Uwv aan [eiser] per 20 september 2018 een loongerelateerde WGA [1] -uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Daarbij is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat hij geen duurzame benutbare mogelijkheden had in verband met een opname.
24 november 2021 alsnog gemotiveerd waarom een lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich bij zijn oordeel gebaseerd op de aanwezige medische informatie van de behandelend sector, met name op de twee Gutachten van orthopeed Dörfler van 19 augustus 2020 en van neuroloog Dickopp van
14 september 2020 waarbij lichamelijk onderzoek is verricht. De verzekeringsarts heeft erop gewezen dateen lichamelijk onderzoek in september/oktober 2021 waarbij daarnaast is aangegeven dat de klachten inmiddels verder zijn toegenomen geen toegevoegde waarde heeft. De rechtbank oordeelt dat daarmee voldoende is gemotiveerd dat een spreekuurcontact in het geval van [eiser] geen toegevoegde waarde heeft. Omdat pas in beroep voldoende onderbouwing is gegeven voor de zorgvuldigheid van het medische onderzoek van het besluit, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. In de conclusie van deze uitspraak zal de rechtbank opnemen welk gevolg wordt verbonden aan het geconstateerde gebrek.
1 maart 2021 een MRI van de linkerknie is gemaakt. Voor zover [eiser] stelt dat zijn klachten zijn verergerd, dateert deze informatie van na de datum in geding. Deze omstandigheid kan in deze procedure dus geen rol spelen. [eiser] heeft geen (andere) stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aangenomen beperkingen zijn onderschat.
5 november 2020 beëindigd. [3] Het beroep is dus ongegrond.
1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt € 759,- en wegingsfactor 1). [eiser] heeft verder op het proceskostenformulier reis- en verblijfkosten van in totaal € 115,92 vermeld. [eiser] heeft de verblijfkosten met een factuur van het hotel onderbouwd. De rechtbank acht het door [eiser] verzochte bedrag voor reis- en verblijfkosten aannemelijk. [4] De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus
€ 1.633,92. Ook dient het Uwv het door [eiser] betaalde griffierecht van € 49,- aan hem te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 49,- aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van
mr.R. Boerlage, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2022.