De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 april 2022 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Györ Regional Court. De opgeëiste persoon wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, een feit dat op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) staat. De straf die nog rest bedraagt ongeveer 3 jaar en 11 maanden.
De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 90 dagen voor de overleveringsprocedure was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd, en er werden geen weigeringsgronden aangevoerd door zijn raadsman. Het EAB voldoet aan de vereisten van artikel 12, sub d, OLW, omdat het vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij geïnformeerd zal worden over zijn rechten op verzet of hoger beroep.
De rechtbank oordeelde dat de herzieningsprocedure in Hongarije pas kan plaatsvinden na overlevering en dat het verstekvonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Er is geen reden om de overlevering te weigeren. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.