AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale drugshandel ondanks gedeeltelijk Nederlands grondgebied
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Hamburg. Het EAB betreft strafbare feiten die onder de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen, namelijk illegale handel in verdovende middelen met een strafdreiging van ten minste drie jaar.
De verdachte erkende zijn identiteit en Nederlandse nationaliteit. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 90 dagen was verstreken, waardoor de voorlopige hechtenis niet langer kon worden verlengd. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat een opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Nederland mag worden uitgevoerd.
De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden omdat de feiten gedeeltelijk in Nederland zouden zijn gepleegd en de medische situatie van de verdachte ernstig is. De rechtbank oordeelde dat overlevering de hoofdregel is en dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLWPro niet van toepassing is. De argumenten van de verdediging waren onvoldoende om de overlevering te weigeren.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarbij tevens werd vastgesteld dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor de strafbare feiten zoals omschreven in het Europees aanhoudingsbevel.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751976-21
RK nummer: 21/5116
Datum uitspraak: 6 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2021 door das Amtsgericht Hamburg(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats]
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 maart 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A. Timorason, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLWPro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een op 18 juni 2021 door das Amtsgericht Hamburguitgevaardigd arrestatiebevel, met dossiernummer 163 Gs 1119/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4.Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Der Erster Staatsanwalt Hamburgheeft op 3 februari 2022 de volgende garantie gegeven:
“The Hamburg Public Prosecutor’s Office guarantees in accordance with the European Framework Decision of 27 november 2008 (2008/909/JBZ), that if an unconditional and irrevocable sentence of imprisonment is imposed on Mr. [opgeëiste persoon] in the proceedings here and if he wishes to be returned Mr. [opgeëiste persoon] will be returned to the Netherlands for the execution of this sentence.“
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLWPro
Het EAB heeft betrekking op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat:
- het onderzoek in Duitsland is aangevangen;
- de bewijsmiddelen zich in Duitsland bevinden;
- de Duitse rechtsorde is geschaad;
- een medeverdachte in Duitsland wordt vervolgd;
- het Openbaar Ministerie niet voornemens is de vervolging van de feiten uit het EAB zelf ter
hand te nemen.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren nu de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de medische situatie van de opgeëiste persoon dermate ernstig en gecompliceerd is dat het in het belang van de opgeëiste persoon is als de vervolging van de opgeëiste persoon door Nederland wordt overgenomen. Daar komt bij dat de toevoeging van een Duitse advocaat conform artikel 21a OLW door de Duitse autoriteiten is geweigerd.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn.
De weigeringsgrond strekt ertoe te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
7.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan das Amtsgericht Hamburg(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.