ECLI:NL:RBAMS:2022:2799

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
13/109446-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 OLWArt. 62a SvArt. 62 SvArt. 5.1.1 SvArt. 5.1.4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen beperkingen in overleveringsdetentie wegens plofkraken afgewezen

Klager is op 12 mei 2022 aangehouden op grond van een Europees Arrestatiebevel van Duitse autoriteiten wegens betrokkenheid bij 17 (pogingen tot) plofkraken in Duitsland. De officier van justitie legde beperkingen op aan klager, waaronder beperkingen op bezoek, telefonisch en schriftelijk contact, ter bescherming van het onderzoek.

Klager maakte bezwaar tegen deze beperkingen, stellende dat ze onterecht zijn. De rechtbank hield op 20 mei 2022 een besloten zitting waarin partijen hun standpunten toelichtten. De Duitse autoriteiten hadden via een rechtshulpverzoek bevestigd dat de beperkingen noodzakelijk zijn om collusie tussen verdachten te voorkomen en bewijsvernietiging tegen te gaan.

De rechtbank oordeelde dat de beperkingen, hoewel ingrijpend, niet volledig contact verbieden en dat klager toestemming kan vragen voor contact. Gelet op het belang van het Duitse onderzoek achtte de rechtbank de beperkingen volstrekt noodzakelijk en verklaarde het bezwaarschrift ongegrond. De officier van justitie wordt opgedragen de noodzaak van de beperkingen te blijven monitoren zolang de overleveringsdetentie voortduurt.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de beperkingen in de overleveringsdetentie wordt ongegrond verklaard en de beperkingen worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/109446-22
BESCHIKKING
in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van Pro de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1979
wonende op het adres, [adres]
thans gedetineerd in [detentieadres]
hierna te noemen “klager”,
tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 12 mei 2022, tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv Pro.

1.Procesgang

Het bezwaarschrift, gedateerd op 16 mei 2022, is op 16 mei 2022 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 20 mei 2022 klager, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern, in besloten raadkamer gehoord.

2.Feiten

Op 22 april 2022 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een Europees Arrestatiebevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt gevraagd om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van betrokkenheid bij 17 (pogingen tot) plofkraken in de periode van 20 mei 2021 tot 11 november 2021 in Wesel en elders in Duitsland.
Het Amtsgericht Düsseldorf heeft in de beschikking van 22 april 2022 detentiebeperkingen ten aanzien van klager vastgesteld. Bij emailbericht van 18 mei 2022 heeft de officier van justitie te Düsseldorf verzocht de opgelegde beperkingen te handhaven.
Klager is op 12 mei 2022 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW.
De officier van justitie heeft bij bevel van 12 mei 2022 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen.
Die maatregelen houden in dat klager zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek mag ontvangen, dat hij zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen telefonisch contact – middellijk noch onmiddellijk – mag hebben met anderen, dat hij geen brieven mag verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie en dat hij geen enkel contact mag hebben – mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk – met medegedetineerden.
De beperkingen gelden niet ten aanzien van het contact met zijn raadsman.
Verder geldt de beperking met betrekking tot het bezoek evenmin ten aanzien van de politie en de reclasseringswerker.
De beperkingen met betrekking tot telefonisch en briefcontact gelden evenmin ten aanzien van justitiële autoriteiten.
Op 13 mei 2022 heeft de officier van justitie haar vordering ex artikel 23 van Pro de OLW ingediend bij deze rechtbank.

3.Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift, dat ter zitting nader is toegelicht, strekt tot opheffing van de beperkingen.

4.Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot het opleggen van beperkende maatregelen nog onverkort bestaat, nu de Duitse autoriteiten dit hebben verzocht.

5.Beoordeling door de rechtbank

Wettelijke grondslag
De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen.
Artikel 61 van Pro de OLW bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens het Wetboek van Strafvordering aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv Pro niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 van Pro de OLW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie.
De officier van justitie moet dus in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv Pro bedoelde maatregelen, waaronder het nemen van vingerafdrukken en foto’s, maar ook het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd.
De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1 Sv.
Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt:
Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.
Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:

2. Voor zover het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven;

3. In gevallen waarin het betreft een verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, kan een verzoek om rechtshulp van een bevoegde autoriteit van een vreemde staat worden ingewilligd indien de inwilliging niet in strijd is met een wettelijk voorschrift of dient te worden geweigerd in het kader van het algemeen belang.

Het verlenen van medewerking aan handelingen van onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.1, tweede lid, Sv moet ruim worden opgevat en daaronder kan ook worden begrepen het opleggen van beperkingen in het belang van strafrechtelijk onderzoek van het land dat het rechtshulpverzoek heeft ingediend. Dat als gevolg van deze medewerking de persoonlijke levenssfeer van een opgeëiste persoon (nader) kan worden beperkt maakt dat niet anders.
Uit artikel 5.1.4, derde lid, Sv volgt, onder meer, dat indien het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gegrond, aan dit verzoek wordt voldaan mits het een redelijk verzoek betreft en inwilliging ervan niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Genoemd artikel 62 Sv Pro biedt een wettelijke basis voor het opleggen van beperkingen aan klager.
Het opleggen van beperkingen in het belang van buitenlands strafrechtelijk onderzoek vindt dan ook zijn wettelijke grondslag in de artikelen 5.1.1 en 5.1.4 Sv juncto artikel 62 Sv Pro.
Het rechtshulpverzoek
De rechtbank beschouwt de eerdergenoemde beschikking van het Amtsgericht Düsseldorf en de eerdergenoemde email van de officier van justitie te Düsseldorf in samenhang bezien als een rechtshulpverzoek in de zin van artikel 5.1.4, derde lid, Sv.
In de email van 18 mei 2022 van de officier van justitie te Düsseldorf is het verzoek tot het handhaven van de detentie beperkingen als volgt toegelicht:
“The restrictions are still required. Under German law, such restrictions are imposed, among other things, to prevent defendants from colluding with each other or with additional offenders. In the specific case, there is a risk that the defendants will warn the perpetrators of ATM burglaries to whom they have rented their car. Thus, the perpetrators could destroy evidence before we can fully identify them and carry out further measures, such as house searches”.
De beoordeling van het bezwaarschrift
Voor de beantwoording van de vraag of in een concrete zaak beperkingen mogen worden opgelegd ten behoeve van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek, dient naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen in artikel 62, eerste lid, Sv is bepaald te worden bezien of die beperkingen in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk zijn.
Tegen de achtergrond van de in Duitsland tegen klager bestaande verdenking en gelet op voornoemde toelichting die de Duitse autoriteiten hebben gegeven omtrent het nog onverkort aanwezige belang bij het opleggen van beperkende maatregelen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen, of een deel daarvan, niet volstrekt noodzakelijk zouden zijn in het kader van het Duitse onderzoek.
Daarbij is van belang dat de beperkingen niet luiden dat klager in het geheel geen bezoek mag ontvangen, geen telefonisch contact mag hebben met anderen en geen brieven mag verzenden of ontvangen, aangezien dit wel mogelijk is met uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie. Klager dient hiertoe desgewenst een verzoek in te dienen bij de officier van justitie.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond verklaren.
De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie, zolang de overleveringsdetentie voortduurt, in haar contact met de Duitse autoriteiten de vinger aan de pols blijft houden met betrekking tot de vraag of, bijvoorbeeld vanwege de ontwikkelingen in het Duitse onderzoek, de beperkingen gehandhaafd dienen te worden.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaarthet bezwaar tegen het bestreden bevel van de officier van justitie
ONGEGROND.
Deze beschikking is gegeven op 20 mei 2022 in raadkamer van deze rechtbank door
mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier
en ondertekend door de rechter en de griffier.