Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:2985

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
C/13/712840
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De rechtbank Amsterdam heeft op 14 april 2022 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg tot 2 september 2022, de duur van de ondertoezichtstelling.

De minderjarige woont sinds 2014 bij de moeder, maar is sinds februari 2022 uit huis geplaatst in een pleeggezin. De Gecertificeerde Instelling (GI) verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing omdat de minderjarige in het pleeggezin tot rust komt en toekomt aan noodzakelijke psychologische behandeling. De moeder verzette zich tegen het verzoek en wenste terugplaatsing, terwijl de vader geen verweer voerde. De Raad voor de Kinderbescherming steunde het verzoek van de GI.

De rechtbank oordeelde dat de complexe dynamiek tussen de ouders en het loyaliteitsconflict waarin de minderjarige verkeert, het belang van de minderjarige rechtvaardigen om de uithuisplaatsing te verlengen. De behandeling moet worden afgerond en een levensverhaal over de minderjarige moet worden opgesteld voordat terugplaatsing mogelijk is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot het einde van de ondertoezichtstelling op 2 september 2022.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Meervoudige Kamer
Zittingsplaats: Amsterdam
Zaakgegevens : C/13/712840 / JE RK 22/44
datum uitspraak: 14 april 2022

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI), gevestigd te Amsterdam,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

[de moeder] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, is de moeder.

[de vader], wonende op een bij de rechtbank bekend adres, is de vader.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: de moeder, de vader en de bijzondere curator van [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in deze procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop tot 10 februari 2022 blijkt uit de beschikking van die datum. De rechtbank heeft kennis genomen van de daarna ingekomen stukken, waaronder:
  • de nagekomen stukken van de moeder van 5 april 2022;
  • de nagekomen stukken van de GI van 8 april 2022 en 11 april 2022.
Op 14 april 2022 heeft de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers C/13/665615 / FA RK 19-2574 en C/13/704663 / JE RK 21-578, hierna te noemen: de omgangszaak.
Gehoord zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. M. Gruiters, advocaat te Nieuwegein;
  • de bijzondere curator van [minderjarige] , mw. drs. A. van Teijlingen, gevestigd te Sassenheim,
  • mw. [naam 1] en mw. [naam 2] , als vertegenwoordigsters van de GI;
  • mw. [naam 3] als vertegenwoordigster van de Raad.

De feiten

[minderjarige] woonde sinds het uiteengaan van partijen in 2014 bij de moeder.
Bij beschikking van 12 juni 2014 is [minderjarige] onder toezicht gesteld welke maatregel daarna telkens is verlengd tot 12 december 2018. In deze periode is hij van 19 december 2014 tot
24 juli 2015 uit huis geplaatst geweest in een netwerkpleeggezin.
Bij beschikking van 2 september 2020 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld tot 2 september 2021.
Bij mondelinge beslissing van 12 juli 2021 heeft de rechtbank de vader mede met het gezag over [minderjarige] belast.
Bij beschikking van de rechtbank van 23 augustus 2021 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 september 2022.
Bij beschikking van de rechtbank van 15 december 2021 is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor verblijf in een netwerkpleeggezin (bij de oma moederszijde (hierna: m.z.) en partner), met dien verstande dat [minderjarige] doordeweeks, van maandagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de oma m.z. en haar partner zal verblijven en van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder, onder aanhouding van het meer verzochte.
Op 21 december 2021 is [minderjarige] feitelijk uit huis geplaatst en door de GI naar de oma m.z. en haar partner gebracht.
Sinds 13 januari 2022 verbleef [minderjarige] niet meer doordeweeks bij de oma m.z. en haar partner, maar volledig bij de moeder.
Bij beschikking van 10 februari 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor verblijf bij een pleegouder, met ingang van 10 februari 2022 tot 10 mei 2022. De behandeling van het resterende deel van het verzoek (voor de duur van de ondertoezichtstelling) is aangehouden.

Het verzoek

De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van de handhaving van het resterende deel van het verzoek, heeft de GI naar voren gebracht dat er in het verleden veel is gebeurd en dat [minderjarige] nu eindelijk tot rust komt in het pleeggezin. Hij is nu meer ontspannen na contact met de ouders en hij komt toe aan zijn behandeling bij de psycholoog. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij, tot aan het moment van de in de omgangszaak op handen zijnde gezinsopname, in dit pleeggezin kan blijven.

De verdere standpunten

de moeder

De moeder heeft zich verweerd tegen het verzoek van de GI. Wat de moeder betreft had het nooit zover hoeven komen dat [minderjarige] uit huis geplaatst werd. De moeder vindt dat [minderjarige] weer bij haar thuis geplaatst kan worden en dat van daaruit de benodigde hulp en begeleiding, waaronder ook de gezinsopname kan worden ingezet. [minderjarige] zelf wil ook graag weer terug naar de moeder.

de vader

De vader heeft zich niet verweerd tegen het verzoek van de GI.

de Raad

De Raad heeft zich aangesloten bij het standpunt van de GI.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij nog langer uit huis geplaatst blijft. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin en hij komt daar tot rust. Ook komt hij toe aan de behandeling die hij nodig heeft. Als gevolg van de zeer complexe dynamiek tussen zijn ouders, is [minderjarige] in een voor hem zeer belastend loyaliteitsconflict terechtgekomen. [minderjarige] heeft de problematiek en dynamiek van zijn ouders geïnternaliseerd en tot zijn eigen problemen en dynamiek gemaakt. Ook heeft [minderjarige] moeite zich te verhouden tot andere kinderen en vertoont hij op school moeilijk gedrag. Dat is heel zorgelijk en het is in het belang van [minderjarige] dat die ontwikkeling ten goede wordt gekeerd, zodat hij zich vrij en onbelast kan ontwikkelen.
In de met deze procedure samenhangende omgangszaak, is geadviseerd de ouders een levensverhaal te maken voor en over [minderjarige] . De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat dit verhaal af is, voor [minderjarige] teruggeplaatst kan worden bij de moeder. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij tijdens het opmaken van dat verhaal in de luwte van het pleeggezin kan verblijven. De behandeling van [minderjarige] moet ook zijn afgerond, voor hij terug kan naar de moeder. In de omgangszaak is daarnaast een gezinsopname geadviseerd, die nog enkele maanden op zich zal laten wachten. De uitkomsten van die gezinsopname zijn van belang voor het scheppen van de voorwaarden waaronder [minderjarige] onbelast en duurzaam contact met zijn vader kan hebben. Dat contact zal ook vanuit de situatie waarin [minderjarige] weer bij de moeder woont, onbelast en duurzaam door moeten gaan.
Daarom is de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van zijn verzorging en opvoeding nog noodzakelijk en zal de rechtbank het volgende beslissen.

De beslissing

De rechtbank:
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 2 september 2022;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. M.J.M. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. H.M. Patijn en M.R. Bruning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2022.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 mei 2022.
De griffier is buiten staat te ondertekenen.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.