De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 mei 2022 de vordering van het Openbaar Ministerie tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan hij sinds 24 mei 2021 voorwaardelijk in vrijheid was gesteld met een proeftijd van 365 dagen en diverse voorwaarden.
Het Openbaar Ministerie verzocht om verlenging van de proeftijd met 180 dagen, omdat de veroordeelde zich niet aan enkele voorwaarden had gehouden, waaronder het niet melden van werkloosheid en het niet verblijven op het geregistreerde adres. De reclassering adviseerde eveneens verlenging vanwege het psychosociaal functioneren en het risico op recidive.
De veroordeelde verzette zich tegen de verlenging en gaf aan inmiddels een nieuwe baan te hebben, verhuisd te zijn en prioriteit te geven aan werk om schulden af te lossen. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde zich tijdelijk niet aan de voorwaarden had gehouden, maar daarna weer werk en inkomen had en bij familie woonde.
Gezien het ontbreken van een actueel gevaar voor recidive wees de rechtbank de vordering tot verlenging van de proeftijd af. De beslissing werd genomen door de rechtbank Amsterdam, in aanwezigheid van de rechters Somsen, Troost en Van der Brink, en is onherroepelijk.