ECLI:NL:RBAMS:2022:3050

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
13/751738-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks medische omstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juni 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een feit dat op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) staat.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk was en dat het EAB niet was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat de medische toestand van de opgeëiste persoon, die een ernstige hartaandoening heeft en spoedige operatie behoeft, geen grond vormt om de overlevering te weigeren. Wel kan de medische situatie een rol spelen bij het bepalen van het moment van feitelijke overlevering, conform artikel 35 OLW Pro.

De rechtbank nam kennis van de garanties van de Belgische autoriteiten dat de opgeëiste persoon, indien veroordeeld, zijn straf in Nederland zal ondergaan. Tevens werd vastgesteld dat de detentieomstandigheden in België voldoen aan de normen van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering (CPT), waardoor geen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling. Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van andere weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe ondanks diens ernstige medische toestand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751738-21
RK nummer: 21/3791
Datum uitspraak: 1 juni 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juli 2021 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
feitelijke woon- of verblijfplaats:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting van 10 maart 2022
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden, zijn niet verschenen nu de rechtbank op voorhand met het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw heeft ingestemd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst.
Zitting van 11 mei 2022
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 11 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden.
De rechtbank heeft het onderzoek, met toestemming van partijen, enkelvoudig gesloten op 1 juni 2022 en heeft direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door Onderzoeksrechter W. Hermans op 6 juli 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw heeft betoogd dat het onderzoek in België gereed is en dat dit zou leiden tot intrekking van het EAB. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
De rechtbank vat het verweer op als te zijn gericht tegen de ontvankelijkheid van de officier van justitie, omdat wanneer een EAB is ingetrokken, de grondslag voor de vordering ex artikel 23 OLW Pro niet meer zou bestaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het verweer niet slaagt. In het e-mailbericht van onderzoeksrechter Hermans van 10 mei 2022 staat:
‘Als antwoord op uw vraag kan ik u meedelen dat het EAB van [opgeëiste persoon] niet werd of wordt ingetrokken.’
Hieruit leidt de rechtbank af dat het EAB jegens de opgeëiste persoon wordt gehandhaafd en niet zal worden ingetrokken. De grondslag voor de vordering ex artikel 23 OLW Pro bestaat dus nog steeds, waardoor de officier van justitie in die vordering kan worden ontvangen.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings in Turnhout heeft de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 22 juni 2021 [1] is de rechtbank in een andere zaak tot het oordeel gekomen dat er in België een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een instelling waar sprake is van grondslapers, waardoor de minimale persoonlijke ruimte van 3 m2 in een meerpersoonscel niet meer is gewaarborgd, alsmede waar sprake is van niet-afgeschermde toiletten in meerpersoonscellen. De detentie-instellingen waar hiervan sprake is, zijn: Antwerpen, Gent, Brugge, Oudenaarde, Hasselt, Dendermonde en Mechelen.
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 9 september 2021, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, een algemene detentiegarantie is gegeven:
Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel:
- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT van de Europese Raad (minimum 3m2). Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een andere persoon.
- De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.
Eerder in deze brief is ten aanzien van gevangenissen waar gedetineerden op een extra matras slapen, ofwel waar de ‘grondslapers-problematiek’ zich voordoet, over de celruimte en de sanitaire blokken de volgende opmerking gemaakt:
Bovendien garanderen wij dat in de gevangenissen waarin dit fenomeen zich voordoet, er zal op toegezien worden dat de overgeleverden niet zullen worden opgesloten in een dergelijke afdeling zodat de overgeleverde personen ten minste over 3m2 personal space beschikken exclusief de sanitaire blokken.
In de uitspraak van 7 oktober 2021 [2] heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor genoemde brief van de Belgische autoriteiten van 9 september 2021 in elke overleveringszaak geldig is, zoals de Belgische autoriteiten in bedoelde brief hebben bevestigd, en dat het om die reden niet noodzakelijk is dat voor elke individuele opgeëiste persoon een detentiegarantie wordt opgevraagd.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [3] De rechtbank is van oordeel dat het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling dat zij ten aanzien van voornoemde penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, hiermee is weggenomen. De detentieomstandigheden staan dan ook niet aan overlevering in de weg.

7.Medische toestand van de opgeëiste persoon

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon te kampen heeft met ernstige gezondheidsproblemen. De opgeëiste persoon heeft een ernstige hartaandoening en verkeert in levensgevaar. Hij moet ten spoedigste worden geopereerd en het is onduidelijk hoe het een en ander zal lopen als hij wordt overgeleverd. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de zaak aan te houden totdat de opgeëiste persoon is hersteld van zijn operatie.
De rechtbank is van oordeel dat de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon niet kan leiden tot weigering van de overlevering, maar kan wel een rol spelen bij de afweging of de feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW is het aan de officier van justitie om te beoordelen of de medische omstandigheden tot uitstel van de feitelijke overlevering zouden moeten leiden. De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de zaak aan te houden tot na het herstel van de opgeëiste persoon.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. M.M.L.A.T. Doll en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3243.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak