De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De opgeëiste persoon wordt verdacht van meerdere strafbare feiten waarvoor hij in Polen is veroordeeld tot gevangenisstraffen variërend van enkele maanden tot jaren.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB. Drie vonnissen uit Polen vormen de grondslag voor het bevel, met straffen van één jaar en drie maanden, twee jaren en twee maanden. De feiten betreffen onder meer mishandeling, vernieling, bedreiging en een overtreding van een contactverbod.
Hoewel het contactverbod niet strafbaar is in Nederland, besloot de rechtbank op grond van de gewijzigde Overleveringswet (OLW) en de facultatieve weigeringsgrond om af te zien van weigering van overlevering voor dit niet-lijstfeit. Tevens werd het verweer van de raadsman verworpen dat de overlevering voor het vonnis met een straf van twee maanden moest worden geweigerd vanwege het minimumstrafvereiste.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.