De rechtbank Amsterdam heeft op 13 juni 2022 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een Poolse staatsburger aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 29 november 2021. De zaak betrof de beoordeling van de rechtmatigheid van de overlevering en de toepassing van de Overleveringswet (OLW).
Tijdens de zittingen op 3 mei en 1 juni 2022, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door een raadsman en tolk, is vastgesteld dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. De rechtbank heeft de gelijkstelling met een Nederlander beoordeeld en geverifieerd dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft aanvankelijk aangegeven dat het verblijfsrecht mogelijk verloren kan gaan, tenzij de opgeëiste persoon aantoont dat zijn EU-verblijfsrecht duurzaam is geworden. Aanvullende stukken hebben echter aangetoond dat hij van 2007 tot en met 2016 aaneengesloten in Nederland heeft gewoond, waardoor het verblijfsrecht duurzaam is.
De Poolse autoriteiten hebben een terugkeergarantie afgegeven dat, indien de opgeëiste persoon in Polen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank acht deze garantie voldoende en concludeert dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. Daarom wordt de overlevering toegestaan.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.