Eiser diende een verzoek in bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om handhavend op te treden tegen de minister van Financiën wegens het niet tijdig en niet volledig voldoen aan een inzageverzoek op grond van de AVG. De AP wees dit verzoek af na toetsing aan prioriteringscriteria, mede omdat reeds een rechter had geoordeeld over de termijnoverschrijding en de minister inmiddels een besluit had genomen.
Eiser stelde dat de AP gebonden was aan de rechterlijke constatering van een AVG-overtreding en dat nader onderzoek en handhaving, inclusief een boete, noodzakelijk waren. De rechtbank stelde echter vast dat de AP beleidsvrijheid heeft om te bepalen of en in hoeverre zij handhavend optreedt, mede vanwege capaciteitsbeperkingen en het gebruik van prioriteringscriteria.
De rechtbank oordeelde dat de AP terecht geen nader onderzoek heeft verricht en handhaving heeft achterwege gelaten, aangezien de maatschappelijke impact gering werd geacht en onvoldoende aanwijzingen voor een overtreding aanwezig waren. Tevens gaf de rechtbank de minister de aanbeveling om praktischer om te gaan met het verstrekken van gelakte gegevens om onnodige procedures te voorkomen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.